‘Maar het hoeft niet.’ De vrouw naast mij praat. We fietsen samen van het ene naar het andere café. Het is warm. Of nee, het is niet warm, het is vooral heel lekker, want het waait een beetje en op de achtergrond hoor ik jazzmuziek.
‘Wat hoeft niet?’ Ik kijk op van mijn stuur.
‘Je hoeft niet te kiezen voor wat je jezelf hebt opgedragen.’
Ik zet mijn zonnebril af en kijk achterom naar mensen die we net tegenkwamen. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Dat hoeft inderdaad niet.’
We fietsen de straat uit. We gaan naar links en naar rechts, een heuveltje op en weer een stukje naar beneden. In de verte verschijnt het volgende café. De zon verdwijnt uit het zicht. Ik denk aan de mensen die we zojuist achter ons hebben gelaten.
Ze zwijgt. We fietsen.
En dan praat ze. Ze zegt ‘het hoeft niet maar het mag wel en jij mag kiezen.’
Stuur en rad
Groot
Vorig weekend kreeg ik een cd met daarop Boudewijn de Groot. Dat vond ik mooi.
En mijn moeder vond het leuk dat ik ‘m in de auto draaide terwijl ze mij vanuit de voortuin uitzwaaide.
Vanonder de eikenboom.
Vandaag ben ik nog één dag negenentwintig.
Niet dat ik dat erg vind, negentwintig-af
maar het is toch iets wat ik vandaag nog dertigduizend keer zeggen wil.
Dertigduizend keer negenentwintig, dertig, negenentwintig, negenentwintig, duizend, tig.
Je voelt er niks van, dertig-plus of dertig-min.
En toch wordt me door de tijd iets opgedrongen
wat voelt als haast en einde
en tijd en rennen en weer een nieuw begin.
Nijmegen
Ik was al vier uur onderweg en dichter bij huis kreeg ik steeds meer haast. Ik reed steeds een beetje harder dan mocht, ging steeds een beetje sneller door de bocht. Duitsland, Doetinchem, Zevenaar, ik gaf gas en in de buurt van Arnhem vocht ik met vier auto’s om de middelste baan. Ik won niet, want mijn auto is te klein en mijn boezem ook, dus ik gaf me gewonnen en bleef netjes rechts. Onder de stoplichten door, over de brug waar je tegenwoordig maar tachtig mag, links bij het Gelredome en dan dat stukje waar ik altijd met iedereen een wedstrijdje doe ‘wie het eerste honderdtwintig rijdt’. Ik won.
Het laatste stuk naar huis keek ik tegen de zon in.
Ik zag de auto’s voor me niet, en ik zag de auto’s naast me eerlijk gezegd ook niet.
Even zag ik zelfs niet dat het de zon was, die in mijn gezicht scheen. Even zuchtte ik. Ik gaf gas. Ik liet de afslag naar Den Bosch rechts liggen. Daarna glimlachte ik.
Op de Waalbrug draaide ik Muse
en mijn raampje open.
Klik!
En ijs en appeltaart
Er was mijn oudste vriend die
voor de deur stond
in zijn streepjestrui.
‘Ik kom je je twintiger jaren uitvegen’ zei hij. En hij lachte erbij
met in zijn armen twee cadeaus.
Hij wapperde met kaartjes,
deed wat gel in zijn haar en
ik legde mijn wimpers recht.
Niet veel later fietsten we
naar Doornroosje.
Het was net echt.
Slepen
Ik heb tijgergarnalen gekocht. Heule grote. De grootste die ze hadden.
Terug naar huis zat er een op mijn rug en een hing aan mijn been.
Ik kreeg ze bijna niet door de deur.
Uitverkoop
De Marktkraam staat bij de kassa van de Coop en ze rekent twaalf pakjes Dubbel Frisss af. Twee keer zes. Ze heeft rimpels gekregen, haar broek is wijder dan voorheen en haar haar is niet meer zo blond als het ooit was. Maar ik weet zeker dat ze het is.
Ze liep ooit met een mandje, maar nu loopt ze met een kar. De boodschappen zijn met velen.
Ze herkent mij niet, al weet ik zeker dat ze weleens van me heeft gehoord. En nu sta ik bij haar in de rij waarin plotseling niemand anders meer lijkt te staan en ik naar mijn mandje kijk en zie dat ik de tomaten vergeten ben.
Ik weet wel wie ze ooit bedonderd heeft.
Dat zou ze nu niet meer voor elkaar krijgen.
Met die uitgezakte kop en die twaalf pakjes Dubbel Frisss.
Moet ze soms op schoolreisje morgen?
Ik zie aan haar hoofd dat…. ik zie
dat ze deze broek, kleurspoeling en zeker die sigaretten echt niet meer moet doen.
Ze is geen tweeëndertig meer.
Hoe haalt ze het in haar hoofd.
Eerder zes.
Ik zeg niets. Ik ken haar niet.
Loeder.
Ik zie het al. Het lijkt wel een slaapzak.
God oordeelt ook.