De helper en de vier

‘Nee dat doe jij niet, want jij bent een vier.’ Ze bladert door naar bladzijde honderdvierentachtig.
‘Een vier?’ Hij trekt zijn wenkbrauwen op.
‘Sensitief, intuïtief, zowel met betrekking tot zichzelf als anderen. Zacht, tactvol, medelevend.’
‘Nou zo tactvol ben ik anders niet hoor.’
‘Jawel. Wel als je goed in je vel zit.’
‘Jah.’ Hij zucht en rolt met zijn ogen. Hij kijkt naar buiten. ‘Iedereen is tactvol als hij goed in zijn vel zit, want dan boeit het je niks. Niets zeggen is niet per definitie tactisch.’
Ze glimlacht. ‘Tactvol, bedoel je. Maar als het niet goed met je gaat word je geremd en boos op jezelf en kun je niet meer functioneren.’
‘Ja! Hèhè!’ Hij slaat met zijn hand op tafel. ‘Geef ‘s hier dat boek. Nog nooit zoveel pagina’s onzin gezien. Hoeveel zijn het er, zeshonderd?’
Ze geeft hem het boek.
‘En wat ben jij?’
‘Een twee. De helper.’
‘En wat is een vier?’
‘De individualist.’
‘En jij bent een helper.’
‘Ja. Maar als ik niet oppas word ik een manipulator.’ Ze neemt een slok van haar thee.
Hij bladert door het boek en mompelt. ‘Helper. Type twee. Hier. Wil bemind worden, zijn gevoelens voor anderen uiten, nodig zijn en gewaardeerd worden, anderen zover krijgen dat ze op hem reageren, zijn claims over zichzelf bewijzen. Ja. Je bent inderdaad een helper. En als het niet goed met je gaat word je inderdaad een trut die andere mensen manipuleert.’
‘Nounou, hoho, zo kan ie wel weer he.’
‘Sorry.’
‘Moeder Theresa was ook een helper.’
‘Ja. En Bob Dylan een individualist.’
‘En of-ie dat wist, how does it feel.’
‘Haha.’
‘Haha. Nee dan ik. Moe’r Theresa manipuleert zieke mensen in India.’
Hij slaat het boek dicht en legt het op tafel. Hij denkt dat ze vandaag nog maar even een frisse neus moeten gaan halen.

Struikelgevaar

Het was een soort doolhof van materialisme waarin ik terechtkwam. Een kast ging op een doodgewone zondagmiddag van punt A naar punt B, en voor ik het wist moest ik nadenken over een vakantie naar Spanje. De verhuizing van de kast, namelijk, leidde ertoe dat de tv die ik toch nooit gebruikte naar de kelder ging. Met de nieuw gecreëerde ruimte was het logisch dat het wasrek naar de oorspronkelijke plek van de kast ging. Helaas kon toen het logeermatras niet meer op zijn eigen lokatie blijven staan. Dus moest de vriezer -die staat in mijn slaapkamer- wijken voor de nieuwe woonplaats van het matras. En met het verplaatsen van de vriezer kwam een berg van vijfentwintig paar schoenen ineens lelijk in het zicht.
Dus moest ik een mand. Of nee, beter een nieuw, leuk kastje, zodat ik niet alleen mijn schoenen, maar ook mijn handdoeken, ondergoed en sokken eindelijk eens overzichtelijk in aparte compartimentjes kon gaan opbergen. Of nee, nu ik nog eens beter keek was het beter om die hele garderobekast weg te doen – het bouwval- en daarvoor een nieuwe te kopen. Echter toen ik de afmetingen van mijn huidige kast van een afstandje bekeek, realiseerde ik me dat ik het dan ook maar beter meteen goed kon doen. Ja, ik kon er maar beter meteen een driedeurs kast bijkopen. Zo-eentje van achthonderdvijfenzeventig euro, als je niet oppast. Zo’n combinatie. Dan was ik in een klap klaar.
Maar als ik mijn geld uit zou geven aan een garderobekast van achthonderdvijfenzeventig euro, hoe zat het dan met de aanschaf van die nieuwe laptop Macbook Pro en die vakantie naar Spanje, dit najaar? Ik zou een keuze moeten maken tussen praktisch en leuk en omdat ik dan al snel naar ‘leuk’ neig, belde ik mijn moeder. Dat was dom. Want als mijn moeder iets graag ontmoedigt, dan is het haar dochter in combinatie met reizen.
Dus heb ik nu zo’n kast. Hij staat tegen de muur en het ziet er heel strak uit en het geeft rust, dat is waar.
In mijn slaapkamer is er geen schoen meer te zien.
Maar toch is er nu iets aan de hand met een laptop. En die rust in die Spaanse lucht dit najaar.

Rechts links

Het is laat in de nacht en ik lig wakker.
Het dak
komt op me af
en de vlucht neemt een loopje
met mijn gedachten.
Toen iedereen nog precies dacht
zoals ik, was het oordelen makkelijker.

Boefje

Het Boefje zit bij vriendin L. voorop de fiets en vanonder zijn nieuwe soldatenpetje van spijkerstof kijkt hij me lief guitig aan. ‘Daaaaaag!’ roept hij. Met zijn rug wiebelt hij heen en weer, naar voren, naar achteren, naar voren, naar achteren. ‘Boe!’ met zijn miniscule vinger wijst hij naar een paard.
‘Ja, paardje he?’ zeg ik. ‘Maar boe mag wel hoor. Sorry, papa en mama’, mompel ik er achteraan.
‘Boeee!’
‘Jaaa boeeeh’ roep ik met hem mee. Ik grinnik. L. trapt zich een ongeluk, met een picknickmand voorop, kleine Boef ook voorop, en twee volgestouwde fietstassen met speeltje, thermosfles en snoetenpoetsers achterop. Ik rijd er op mijn mountainbike naast en regel alles wat te maken heeft met in de weg lopende voetgangers, dichtslaande hekjes en te krap voorbij racende auto’s. Het is allemaal een beetje oneerlijk verdeeld, maar we zijn in elk geval op weg naar het Waalstrand en dat is al heel wat.
Voordat het zover was moesten er heel wat voorzorgsmaatregelen worden genomen. Niet voor ons, maar wel voor die kleine Boef. Want op het moment dat iedereen uitgeslapen, aangekleed, verschoond en klaar was om te gaan, en we ook alle broodjes, drinken, zalm, avocado, kleedjes en speelgoed hadden verzameld, twijfelen we ineens of het wel ‘veilig’ is, zo met die zon. Moet-ie misschien een petje op? Naast die zonnebril? En is factor twintig wel genoeg? En hebben we wel genoeg te drinken bij ons, voor hem?
Voor de zekerheid toch nog maar even met kind en spullen op zaterdag naar de HEMA. Ik koop alles wat we nodig denken te hebben en op het moment dat ik met een volle plastic tas naar buiten loop en de kleine Boef jaaa-roepend zijn armpjes naar mij uitstrekt, vraagt mijn zorginstinct zich onmiddellijk af of we -los van al die tassen die we al hadden- aan 1 extra petje, 1 zonnebril, 1 extra pak doekjes, 1 extra pak melk, 1 extra flesje water en 1 fles zonnebrandcreme-for-kids-factor-50 wel genoeg hebben, naast die factor 20. Ik roep mezelf tot de orde en we gaan.
Dus daar fietsen we. Ik houd de hekjes open, L. houdt het overzicht. De hele route roepen we ‘joehoe’ en ‘hoeraaa’ en het laatste stuk draag ik hem. Hij wijst naar een vlieger. ‘Daaa. Boee.’
Zodra we alledrie goed en wel met blote voeten op het kleedje zitten moet ik plassen.
Op de terugweg vinden we zijn verloren schoen.

90 niets

De dag duurt al negentig uur
ik wist niet dat er zeven van
in honderdachtenzestig
uren pasten.
Terwijl ik niets deed
ogenschijnlijk
niets.

Zon

De vakantie die ik aan de studie had moeten besteden is volledig in de zon gevallen. Zon op het terras, zon aan het water, zon die op ochtenden in mijn gezicht prikte en zon op onverwacht zwoele lente-avonden. Zon. En zon is geen studeren, en dus zitten de boeken nog even strak in hun kaft als tien dagen geleden.
Vandaag was er even geen zon. Maar toen was het al gauw grofvuildag. En dan kan je ook niet studeren. En morgen is het IKEA-dag. Woensdag is gewoon mijn vrije dag. En donderdag is het APK-dag en vrijdag is het alweer weekend. Zon.
En ik hoorde net dat het zaterdag pas echt warm wordt. Qua zon.