Ik was al vier uur onderweg en dichter bij huis kreeg ik steeds meer haast. Ik reed steeds een beetje harder dan mocht, ging steeds een beetje sneller door de bocht. Duitsland, Doetinchem, Zevenaar, ik gaf gas en in de buurt van Arnhem vocht ik met vier auto’s om de middelste baan. Ik won niet, want mijn auto is te klein en mijn boezem ook, dus ik gaf me gewonnen en bleef netjes rechts. Onder de stoplichten door, over de brug waar je tegenwoordig maar tachtig mag, links bij het Gelredome en dan dat stukje waar ik altijd met iedereen een wedstrijdje doe ‘wie het eerste honderdtwintig rijdt’. Ik won.
Het laatste stuk naar huis keek ik tegen de zon in.
Ik zag de auto’s voor me niet, en ik zag de auto’s naast me eerlijk gezegd ook niet.
Even zag ik zelfs niet dat het de zon was, die in mijn gezicht scheen. Even zuchtte ik. Ik gaf gas. Ik liet de afslag naar Den Bosch rechts liggen. Daarna glimlachte ik.
Op de Waalbrug draaide ik Muse
en mijn raampje open.
Klik!