To get there 7 februari 2010
Op donderdag doen we er dertien uur over om van Düsseldorf naar Krakau te komen, en van Krakau naar Wroclaw. Hoewel het op de kaart een kippeneindje is en het vliegtuig ons in een uurtje de grens over brengt, blijken in Polen zelf de afstanden groter en de kilometers langer.
Polen. De gedachte aan de verhalen erover alleen al, zorgt ervoor dat ik mijn laptop in zijn skipakje stevig tegen mij aanklem. Polen. Wat moet je in hemelsnaam in Polen. Het land aan de andere kant van Het Gordijn, het land met hekken en prikkeldraad. Narigheid. Zo denk ik over Polen. Voor je het weet is je hebben en houden weg. Terwijl het er vast ook heel fleurig en fijn kan zijn.
In ieder geval zit ik in de bus van Krakau naar Wroclaw en links van mij zit een Poolse man. Hij draagt dure survival-kleding, en maakt een Sudoku. Hij heeft een hip maar warm mutsje op zijn kale hoofd en kijkt met ronde blauwe pretogen in het rond. Grote stevige (dure) wandelschoenen beschermen hem tegen de kou. Ik vind hem geen echte Pool.
De man achter mij daarentegen, in legerbroek met zacht-roze kabeltrui en waterige ogen, dat is wél een echte Pool. Ik denk dat ik hem af en toe hoor grommen.
Ik ben gelukkig zonder vooroordelen op pad gegaan.
Zo toeren zij, ik, en een handje vol meer- en mindere- mate Polen over besneeuwde wegen door het koude land. Het asfalt is kapot, de bus en de sneeuw kraken, maar binnen is het warm. Langzaam dommel ik weg. Een knappe zanger met een gebroken hart fluistert nostalgische muziekjes in mijn oor.
De bus stopt. Aandachtig luister ik of ik iets hoor dat op Wroclaw of Breslau lijkt. Want zo heet ons eindpunt ook, Breslau. Maar we zijn er nog niet. Weer niet. Buiten ligt een man in de sneeuw zijn roes uit te slapen. Zo vriezen ’s nachts regelmatig Polen dood. Zuipen zich klem, en gaan ergens op straat liggen. Dan red je de ochtend niet, bij twintig graden onder nul.
Gelukkig ben ik nuchter en goed voorbereid op pad gegaan. We rijden, we remmen en we glijden.
Negen uur later arriveren we waar we moeten zijn. Ik ben niet moe, maar ik heb wel het gevoel dat ik dat hele verrekte Polen heb bereisd.
In de kamer waar ik slaap staat de centrale verwarming vol aan. Het laatste waar ik aan denk, is dat ik in het Oostblok ben.
Guur, grauw en koud.
Ik slaap als een roos en de volgende dag heb ik het gevoel dat iemand met een koekenpan op mijn hoofd heeft geslagen.
Buiten is het licht, blauwe lucht geeft de vierkante, sombere gebouwen een vleugje glans. Tussen de flats staan kerken en rijden duurdere auto’s dan ik had verwacht. Ze zijn vies. Door de modder en de sneeuw en het zout op de straten. Het vriest dat het kraakt. De zon doet pijn aan mijn ogen.
Koffie.
Ontbijt.
En dan een vergadering.
Na de vergadering vlieg ik weer terug naar huis. Als ik diezelfde avond friet eet op mijn eigen bank,
vraag ik me af
of ik het me nou heb verbeeld,
of dat het echt was.
Die dag en die nacht en die krakende kou.
