Mooi is dat. En fijn.

We gunden onszelf een hele avond Utrechtse Parade en vriend J. had al zeker drie keer gezegd dat dit het moment was om te blijven.
Toch ging ik.
Er was genoeg rosé geweest, we hadden een voorstelling gezien van Orkater. We hadden gelachen, en goed ook. We hadden met nieuwe mensen kennis gemaakt, we hadden bijgepraat. Het was tijd om te gaan.
De zon ging onder en nieuwe voorstellingen stonden te beginnen. Ik pakte mijn shirt en mijn tas. Het shirt trok ik over mijn hempje aan, mijn tas ging ik over mijn heup en schouder.
Drie jonge jongens stonden in een zwart-roze pakje op het podium te swingen. Die zouden nog een keertje publiek gaan vangen. Wat niet hoefde, want de rij stond tot aan het hek. Het publiek wist al lang dat ze de moeite waard waren.
Weg liep ik.

Weg loop ik.
Nog geen twintig meter verder vang ik de blik van een meisje, vrouw. Ik denk dat ze zo’n zesentwintig jaar was. Groen shirtje, blond haar. Ze glimlacht en ik glimlach terug.
En zij weer naar mij.
Verder loop ik en ik kijk nog twee keer achterom. En zij naar mij. We glimlachen, we lachen, en ze geeft me die blik.
Een mooie lach, waar het bij zal blijven.
Fijn.
En van vreemden,
zonder einde en zonder start
soms zelfs fijner.

Jan wordt gemist

Dat ze bij de Coop flinke vakantieproblemen hebben, dat weet ik nu. Vooral personeeltechnisch.
Dat Jan er óók niet is,
weet ik ook.
Hoe dat nu moet met de kassa’s tellen,
dat weet dan weer niemand.
En het overzicht.

Weet je wat ook ellende is, dat mijn fiets een lekke band heeft. En ik er een kwartier over doe om het slot van mijn leenfiets open te krijgen.
Op de stoep voor de Coop.
Ik vraag me af
wat Jan daarvan vindt.

India

Op de regenachtige zondag die het vandaag was, bleek ik plotseling niks te doen te hebben.
Er waren wel wat taakjes hier en daar die ik mezelf al weken geleden had opgelegd, maar ook vandaag bleek het er niet de dag voor om ze uit te voeren.
Alle spullen die onder mijn bed lagen ten tijde van mijn slaapkameroverstroming liggen nog steeds in een hoek in de woonkamer. (Even over die overstroming; drie weken geleden regende het zo hard in Nijmegen, dat de halve stad was omgetoverd in zwembad -vooral in de kelders van menig café en oud herenhuis was badkledij een vereiste. Ook bij mij drong het noodweer door de kieren van de kozijnen, om mijn slaapkamer om te toveren tot een waterparadijs. Ik stond op dat moment met de halve buurt te schuilen in de Coop, wat ik toen nog heel knus en gezellig vond. Totdat ik thuiskwam. Maar dat terzijde.)
Die spullen liggen dus nog steeds in de woonkamer. Wat kun je trouwens veel bewaren onder je bed.

De plant die ik zou verpotten staat nog steeds te verpieteren in de hoek. Ik denk al weken dat hij het toch niet redt, maar de doorzetter weet maar niet van doodgaan en leeft nu als een soort activist op schrale grond zonder water.
En zo liggen de cd’s ook nog uit hun hoesjes en is mijn iPod niet ge-update.

Want toen ik om kwart over elf wakker werd, en de regen tikte op het dak, was er maar een ding te doen. De mensen zeggen weleens dat je meer moet leven in het nu. Dat heb ik gedaan. De hele dag.
Liggen, in een trui op de bank, en mijmeren over reizen die nog even duren.
Reizen die er al waren,
reizen thuis,
en die er van komen gaan.
Da’s niet echt nu.
Hoewel het voelt alsof ik er middenin sta.

Sunshine cleaning

Over de echtheid van uit de pas lopen.
Over kijkers onder donkere schaduw,
over de buitenkant als waarheid.
Doorgaan als je pech hebt, niet je zin krijgt.
Over dat je kan geloven wat je ziet.
Of de traan die op de achtergrond
het licht weerspiegelt
van een straal zonneschijn.

(klik)

The lovedoctor weet het

‘Je weet het niet.’ De lovedoctor haalt haar schouders op. ‘Je weet het niet, Riekster.’

‘Weet ik.’ Alsof ik dat nog niet wist. Dat is precies het probleem. Ik leg een diepe zucht op tafel. Op de stapel die er al lag.
‘Waarom noem jij me trouwens Riekster? Jij noemt me nooit Riekster. Noem me liever bij mijn naam.’

‘Riekster? Ik noem je geen Riekster. Ik heb jou nog nooit Riekster genoemd.’

‘Jawel. Net nog.’

‘Nee hoor.’

‘J’wel.’

We zuchten.
Twee diepe zuchten worden toegevoegd aan de stapel op tafel.
Ik krijg een knipoog. Met haar mooie blauwe ogen kijkt ze poppig uit boven haar glas.
Ik glimlach.

‘Het komt goed.’
‘Goed.’

We lachen. Het is weer feest.
In al die jaren,
van grote keuzes, kleine stappen
en iets niet weten,
is het nooit anders geweest.