‘Riekster, twee antieke Chinese kastjes à vierhonderd Euro per stuk als snijblad in je nieuwe keuken gebruiken om vervolgens half internet af te speuren naar leuke kitscherige kastjes voor in je woonkamer, riekt naar burgerlijke ongehoorzaamheid. Hier. Tillen jij.’
Riekster is ook een grote zus
Tegen kleine broertje: ‘Vond je het wel leuk, om weer naar school te gaan?’
Kleine broertje: ‘Ja hoor.’
Tegen kleine zusje: ‘En jij?’
Kleine zusje: ‘Ja. Jij bent.’
Ze gooit zelf met de dobbelsteen en pakt een kaart. Alweer een beurt overslaan. Ik vind het zielig, maar ook kleine kindertjes moeten leren met spelregels om te gaan, zegt mijn educatieve grote zussen-aard.
‘En wat hebben jullie vorige week dan geleerd?’
Kleine broertje: ‘Over de provincies.’
Oh? Ik kijk hem verbaasd aan. Wist niet dat ze het daar zo vroeg al over hebben. Oke. Prima. Goh, dat had ik niet gedacht. Het zal mijn leeftijd wel zijn.
‘Zo, zo!’
Klein zusje: ‘Jaa, Riekster, ja, over provincies en Apedoorn en Apesfoort.’
Hoera en gelukkig. Ze zijn nog klein.
De jongen had niet gedacht dat hij ooit zou denken aan verhuizen.
En ook niet dat bruin en roze een mooie combinatie was.
En ook niet dat je boeken kunt laten liggen.
En cd’s kunt laten slingeren.
Zonder ze kwijt te raken.
De jongen had nooit geleerd om in iemands ogen te kijken.
En ook niet om iets na de start weer te beëindigen.
Om de gebaande wegen om te buigen,
ookal is daar geen pad, maar gras.
Om het niet te weten,
en dan te zeggen
‘misschien’.
En het niet aan te kijken,
maar weten
dat ze blijven.
Dag!
Ik denk dat ze net nieuw was, want twee keer moest ze opnieuw beginnen om de fles van het een en de tube van het ander in te pakken. Met het zweet op haar keurig gestifte lippen en een frons in haar gepoederde voorhoofd, durfde ik bij de derde poging om het bijzondere lintje om het mooie blauwe papiertje te krijgen, niet meer te zeggen dat ze het wel mocht laten zitten omdat het stiekem een cadeautje voor mezelf was. Eigenlijk kon het ook zo wel mee in de tas.
‘Sorry hoor’, mompelde ze met rode wangen, en ik mompelde iets van ‘geeft niets hoor’ terug. Ik denk, zolang ik maar rustig blijf, ziet niemand dat deze moeite allemaal voor niks is. Het arme kind.
Thuis scheurde ik als een kleuter de hele verpakking er in een armzwaai af.
‘Cadeautje voor mezelf!’, riep ik tegen mezelf. Lachend danste ik met de fles van het een en de tube van het ander door de kamer.
En ik moest denken aan gisterenavond.
En aan eergisteren en aan de dag ervoor.
Aan vorige maand, en aan altijd, en aan de dagen die me optilden.
Aan de middagen en de ochtenden en de avonden die elkaar opvolgen.
En nu en aan morgen.
En aan de dag die komt. En de dag die was.
Aan dagen zonder zorgen.
Weergaloos en fenomenaal
Ik weet nog dat ik dacht – toen ik zo lang stond te klappen dat mijn armen zeer deden- ‘ja maar dit verdienen ze’.
Ik weet nu wat mensen bedoelen.
‘Met volle teugen genieten.’
Weergaloos.
En fenomenaal.
Riekster is geen dagboek.
Maar nu wel.
‘Vanaf hier.’
(En ik ving een vlinder.)