Ik denk dat ze net nieuw was, want twee keer moest ze opnieuw beginnen om de fles van het een en de tube van het ander in te pakken. Met het zweet op haar keurig gestifte lippen en een frons in haar gepoederde voorhoofd, durfde ik bij de derde poging om het bijzondere lintje om het mooie blauwe papiertje te krijgen, niet meer te zeggen dat ze het wel mocht laten zitten omdat het stiekem een cadeautje voor mezelf was. Eigenlijk kon het ook zo wel mee in de tas.
‘Sorry hoor’, mompelde ze met rode wangen, en ik mompelde iets van ‘geeft niets hoor’ terug. Ik denk, zolang ik maar rustig blijf, ziet niemand dat deze moeite allemaal voor niks is. Het arme kind.
Thuis scheurde ik als een kleuter de hele verpakking er in een armzwaai af.
‘Cadeautje voor mezelf!’, riep ik tegen mezelf. Lachend danste ik met de fles van het een en de tube van het ander door de kamer.
En ik moest denken aan gisterenavond.
En aan eergisteren en aan de dag ervoor.
Aan vorige maand, en aan altijd, en aan de dagen die me optilden.
Aan de middagen en de ochtenden en de avonden die elkaar opvolgen.
En nu en aan morgen.
En aan de dag die komt. En de dag die was.
Aan dagen zonder zorgen.