Even kijkt ze gestoord op als ik haar vraag of ik er even bij mag. Dan zet ze een minuscuul stapje opzij en verdwijnt met haar gedachten weer in het boek dat ze in haar handen heeft.
Prima. Ik wurm mij tussen haar en de kast, en ga vervolgens door mijn knieën. Ik zit nu pal voor haar, op mijn hurken en met mijn achterste raak ik haar benen bijna aan. Ze blijft staan waar ze staat.
Hoewel ik al snel weet dat ik op dat onderste schap niets te zoeken heb, blijf ik toch even zitten.
Als ik overeind kom kijk ik met een schuin oog naar haar, maar ze merkt niets. Dit is iemand die de psychologische zelfhulpboeken in de winkel half uitleest ze vervolgens op internet bestelt.
Een kast verderop vind ik wat ik zoek. God is in de war, Hij denkt dat Hij Pieter is. Mooi. Ik loop naar de kassa. Zij blijft staan, met haar neus tussen de bladzijden. Ik heb zin om haar om te duwen, maar ik doe het niet.
Ik hoop dat het helpt.
Dat moet wel heel bijzonder zijn
Kuifje gaat
Word ik vannacht wakker, denk ik: ‘JAWEL, ik moet wél even kijken hoe het met die inentingen zit.’
‘En om precies te zijn, NU.’
Het zou lullig zijn als ik tussen die zelfverkozen diarree straks in een onbenullig hoekje nóg iets oploop waardoor ik vervolgens in een ziekenhuis beland. Tussen mensen met halve armen en open wonden. Hoestend en proestend in mijn gezicht. In een stinkend bed en met besmette naalden, terwijl reismaat een terugvlucht regelt, wat niet lukt. Dat willen we niet. En dus bladerde ik vannacht om kwart over drie door een geel boekje met stempels en data.
Vanmorgen belde ik braaf Annemieke van de GGD, want inderdaad, het was allang verlopen, die Typhus en die Cholera. En ook de Dinges was niet meer up to date.
Maar Annemieke van de GGD had geen tijd. Ja alleen nog voor herhalingsspuiten en daar hoor ik niet bij. Ik denk dan, als er tijd is voor herhalingsspuiten, dan is er ook tijd voor mij. Bijvoorbeeld volgende week maandag om vijf over half elf. Daar pas ik vast nog wel tussen, zo een paar dagen voor vertrek. ‘U wilt toch niet dat ik straks in een onbenullig hoekje, en dat u dan niet…., toch, Annemiek?’
Het lukte. Check.
Vanmiddag kreeg ik een mail, over leningen die we hebben verstrekt aan prostituees. Afspraken. Microkrediet. Of ik wil schrijven over succesverhalen, maar ook over waar het niet goed gaat. Ik kan een hoop redenen bedenken waarom het niet goed zou gaan met de prostituees.
Schrijven zal ik, daar.
Misschien schrijf ik wel over mijn eigen kleine teen. Of diarree.
En ik kreeg een sms. ‘Zit je al met je hoofd in India?’
India.
Ja. Dat kun je wel zeggen ja. India.
Goh. India.
Uitgang Lauwersoog
‘Kun je niet iets voor mijn ouders schrijven? Krijgen ze eens wat anders dan een kaartje. Vinden ze leuk. Over het eiland.’
‘Heb ik al gedaan.’
Het is maar klein en best dichtbij maar het voelt ver en wijds.
Dat heeft te maken met het water.
Kloppende wind, klonten vlagen die gezogen worden
van de ene naar de andere kant.
In de toren brandt het vuur, daar
boven schijnt het in de
avond op de daken.
Er is veel van weinig om naar te kijken.
Knopen, mijlen,
eeuwen, einden
loos om naar te staren.
Puur in niets
om te verdwijnen,
en niets te maken.
Riekster en de dingen
Riekster vraagt zich af hoe mensen dat toch doen; wel gordijnen ophangen, en dan geen flightbag kopen (van vijfendertig euro). En wel een gat in je muur boren en wel je laminaat recht leggen, en dan bijvoorbeeld niet door de stad fietsen en een deuntje luisteren, maar wel naar een afzuigkap op zoek gaan.
Of bijvoorbeeld een keer de auto uitzuigen, want de blaadjes liggen bijna tot aan het plafond.
En bijvoorbeeld niet met een geel snoertje van veertig centimeter tussen de hoek en de kast blijven internetten, maar een langer snoer kopen. Of een router. (?)
Ik had vandaag een steentje in mijn schoen van het bos van twee weken geleden.
En een kabouter.
Spijt (en bagagedrager .. als je luistert naar de wolken)
‘Ik ben ongelukkig.’ De denker ligt met zijn hoofd op tafel.
‘Ow. Waar komt dat vandaan?’ De dromer schuift de laptop opzij.
‘Dat komt van het ongeluk.’
‘Nee, dat kan niet. Je bent ongelukkig met reden. Er moet iets zijn met een oorzaak.’
‘Zo zo.’
…..
‘Het ongeluk had nog wat ellende over en heeft dat over mij uitgestort. Dat is de reden.’
‘Oorzaak.’
‘Dat is de oorzaak.’
….
‘Dat kan ik me niet voorstellen.’
‘Is er niet iets wat jou ook ongelukkig maakt?’
‘Nee, dat niet. Maar ik heb tegenwoordig wel spijt. Echte spijt.’
‘Oh. En hoe komt dat?’
‘Dat komt doordat ik een tijd geleden iets stoms heb gedaan. En als ik het over mocht doen, dan zou ik het niet nog eens doen.’
‘Nee?’
‘Nee.’
‘Niet zoals de rest van je leven?’
‘Niet zoals de rest van mijn leven.’
De denker komt overeind. Bekijkt de woonkamer.
‘Is het roken?’
‘Nee het is niet roken.’
‘Is het verhuizen?’
‘Nee, dat is het niet.’
‘Dat schilderij. Daar moet je spijt van hebben.’
De dromer knikt van niet.
‘Een tijd geleden. Heb je er nu nog last van?’
‘Ja.’
‘Oh.’
….
‘En je kan het niet ongedaan maken?’
‘Nee. Hoe gaat het?’
‘Beter.’