De lovedoctor komt logeren

De Lovedoctor komt logeren en als ze over de drempel stapt, valt een rood muiltje uit haar weekendtas.
‘Zo’, zegt ze ‘die is in elk geval binnen.’ Haar lippen zijn ook rood en haar wimpers zwart. Haar jas belandt op een stoel, de tas op de bank en haar glimlach wijst in de richting van een fles witte wijn die al op tafel staat. Het rode muiltje blijft achter in de gang.
‘Wijntje?’ vraag ik.
‘Lekker.’ De Lovedoctor trekt haar zwarte panty onder haar stippenjurkje recht. Ze gaat op mijn oude, witte jaren-vijftig stoeltje zitten. Het kussentje achter haar rug legt ze naast zich neer. ‘Zo’, zucht ze. ‘Hoe is het?’
Ik ontkurk de fles en schenk twee glazen vol met Chardonnay. Op een schoteltje leg ik gevulde olijven.
‘Goed’, zeg ik.
En ik plof op de bank zoals je dat op eerste lentedagen doet.

Kaft

Ik denk dat
als jij mij na zou doen
en ik jou
dat we elkaar dan nog de schuld zouden geven.

Boem dat deed jij,
nee dat was ik
of jij.
Of misschien was het niemand
die het zo had bedoeld.

Ik zie dat
woorden en zinnen aan het einde van de weg
uit hun toekomende tijd zullen
moeten verdwijnen, ver
van hun ongeschonden betekenis
die in grote letters op witte bladzijden staat.

En dan zijn er nog de ongelezen tijdschriften
die in hun jasje
onder de tafel liggen
te wachten op iemand
die binnenkomt.
Hun kaft omslaat
en wijzer weer het pand verlaat.

Riekster las iets moois: Tjitske Jansen

Envelop met foto’s 1

Dit zijn dus de foto’s die ze
om ik weet niet welke reden
niet meer in een boek liet.

De meeste hebben de kwaliteit van industrieterrein –
niet bedoeld om er te zijn, als je er niet hoeft te zijn,
niet bedoeld om er te wandelen op zondag.

Juist daarom kom ik er zo graag.
Ik neem het kind dat ik niet heb
ermee naartoe.

Hier is de tijd die per ongeluk overbleef.
Hier is de onbedoelde ruimte.
Mijn broer leerde me er bochtjes achteruit.

Uit: Tjitske Jansen – Het moest maar eens gaan sneeuwen

Groene blaadjes

Je zal maar vakantie hebben in de mooiste week van het jaar.
Tot nu toe blauw en nog net niet groen.
Je zal maar vakantie hebben in een stad waar de zon scherp schijnt en waar de koffies verkeerd het lekkerst zijn in de vierde week van maart.
Je zal maar vrij zijn. En na die al die koffies verkeerd en lunch op het terras met een muziekje op pad gaan op je mountainbike.
Je zal je telefoon maar in een hoekje hebben liggen en de boel de boel laten en vanaf de Waalkade naar de voorbij varende bootjes staren. Ik ben zelf de boel.
Zeven dagen.

Onderkruipsel

Vorige week verstuurde ik de uitnodigingen voor mijn feestje. Het feestje voor mijn dertigste verjaardag. Dat lijkt nog ver -het is pas in april- maar die kleine, ellendige, doch steeds groter wordende data en warmer wordende lentegraden kruipen toevallig wel mijn kant op. Want eerst komt de dag dat ik moet klussen in Jut en Juls tuin, dan komt de dag dat ik L. moet verhuizen -en de avond ervoor dat we L’s huis moeten inwijden met champagne en wijn- dan komt er een dag die ooit iemand anders zijn geboortedag was, en dan kom ik: De Dag dat ik Dertig word. Boink. Dertig. Daar krijg ik hier op de bank spontaan een hersenschudding van. Boink.
‘Dan maar een feestje’, dacht ik toen.

Ik weet niet wat ik me vroeger voorstelde bij de gedachte aan Dertig. Vrij weinig denk ik, want dat duurde altijd nog oneindig lang. Dertig. ‘Als ik Dertig ben…’, dat is hetzelfde als nadenken over hoe je erbij zit als je tachtig bent. Dat doe je ook niet. Ik zou daarom ook niet weten wat ik vroeger van Dertig-zijn dacht, en daardoor weet ik nu dus ook niet wat ik ervan gebakken heb.
Gebrek aan kader.
Alhoewel, ik denk dat ik wél iets weet; ik kan namelijk niet zo goed tegen veranderingen als ik altijd dacht, behalve als ik er zelf voor kies. En ik weet nu ook dat De Dingen trager gaan dan ik dacht, maar ook sneller, en dat ik meer haast heb dan de meeste mensen. Maar dat valt dan weer niet zo op, omdat de mensen die ik om me heen heb verzameld ongeveer hetzelfde zijn. Qua haast. Daarentegen kunnen -bijvoorbeeld- uitgebloeide bloemen bij mij weer veel langer blijven staan dan bij de meeste mensen om me heen. Daar heb ik dan weer geen haast mee. En, als ik ergens voor kies, hou je dan maar vast. Of eigenlijk hoeft dat niet, want dat doe ik dan. Vasthouden.
En Nooit-Meer-Loslaten.
En ik ben niet wollig maar toch ook zeker niet hip.

Straks ben ik dertig. Het voelt niet zo, maar het nadert. En dan zit ik met een kopje koffie op de stoep voor mijn huis, te knipperen in het zonlicht.
Eigenlijk is het wel zo’n beetje hoe ik het hebben wil. Dit.

Maart en groen

Zonnige fietsers tringelen met hun fietsbel over de Oudegracht.
Vanuit een dakraam klinkt jaren 30-muziek.