Poppenkast

Coldplay – Life in Technicolor 11

De Lovedoctor glimlacht

De lovedoctor is ziek maar grijnst desalniettemin tevreden vanuit haar kussen.
Op de bank, met haar dekbed.
De tekst op de sloop waar ze met haar hoofd op ligt, is via Skype moeilijk te lezen. Maar ik twijfel er niet aan dat het iets romantisch is.
Een lieve tekst.
Ze heeft waterige ogen en toch een beetje pret.
Verliefd met griep,
weet ze
tevree
toch een glimlach op haar smalle snoetje te toveren.

Klusjesman

Het bekende snoepje van de onbekende man dat ik nooit aan mocht nemen, zit nog vers in mijn geheugen.
Ik zou niet weten hoe vaak mijn moeder het me heeft ingeprent, maar zeker is dat er geen twijfel over mocht bestaan dat ik me bewust was van de verwachtingen die ik zou scheppen tegenover een vreemde man. En de toezeggingen die ik zou doen met het aannemen van een lekkernij die nooit voor niets was.
Een zuurtje.
Zo heb ik het altijd voor ogen gehad. Een engerd met een zuurtje en een lange bruine jas. Nooit een vriendelijke North Face -jack meneer met een Chocotof of een Kitkat. Dat soort mannen doet dat niet.
Ook de klusjesman kon geen kwaad. Die deed gewoon wat hij moest doen; belde aan, kwam binnen, repareerde lachend de dingen, en dan ging hij weer. Niets om bang voor te zijn.
Maar die onbekende man op de straat, daar moest je voor oppassen. Zei mijn moeder. Met zijn snoepje, zijn uitgestoken hand, of zijn rare verhaal waarmee hij net de plank missloeg. En zeker in de buurt van het plein, of als hij in een auto zat.
Eigenlijk zat hij overal.
Overal was gevaar.
Toch heb ik als tienjarig kind eens een middag in de kelder van de pastoor doorgebracht. Drie uur blaadjes rapen voor het kerkboekje. De beloning was een Mars, en daarvoor liep ik de hele middag met vier vriendjes rondjes om een met papier beladen tafel.
Toen waren pastoors nog te vertrouwen, en dat vond mijn moeder blijkbaar ook, want ze had er geen enkel probleem mee dat ik me een hele middag in de kelder van de pastoor bevond. Achteraf vreemd, want mijn moeder was nog nooit in de kelder van de pastoor geweest. Dat weet ik zeker. Achteraf vraag ik me ook af of die hulp wel echt zijn hulp was. Ze kon in ieder geval goed cake snijden, en daar deed ik het dan ook voor. En natuurlijk die Mars.
Maar kleine meisjes worden gelukkig ouder, en met mijn moeders wijze advies ben ik mijn jeugd ongeschonden doorgekomen.
Helaas niet zonder wantrouwen.
Tegenwoordig denk ik dat de man bij de kassa er altijd op uit zal zijn om mijn boodschappen te jatten. Elke flirt van mijn partner leidt tot overspel, en iedere kans die een ander krijgt om mij een loer te draaien, zal hij grijpen. Een mens wordt ten alle tijden bedreigd.
Lever je nooit uit aan een vreemde. Ik ben er mee grootgebracht dat dat niet kan.
Ze grijpen je.
Behalve dan de klusjesman.

Muf en mat

Terwijl hij mijn kaart in het papieren zakje schuift, kijk ik naar zijn platte spijkerbroek die is opgetrokken tot ver over de heupen.
De rode bedrijfsblouse heeft hij erin geduwd.
Zijn gezicht heb ik nog niet eens bekeken. Maar nu ik hem aankijk en een pakje kauwgom geef, snap ik het ook van de broek.
Hij heeft donkerbruin haar, ook voor zijn oren. Iets te lange wimpers en een mat gezicht met een vlek op de verkeerde plek. En een haar. Of net geen haar. Ik weet het niet wat het is. Wel haar waar het niet zitten moet, en te weinig waar je het verwacht.
Ogen op half zeven.
Ik kijk hem maar niet meer aan.
Met z’n platte opgetrokken broek.
2 Euro 25 later pak ik mijn kaart en kauwgom van de toonbank. Er waren ook dingen die ik niet zag, maar als ik wegloop weet ik zeker dat hij ook klamme handen en donkerbruine verstandige schoenen met strak aangetrokken veters had.

En Smurfin is niet roze.
Wel blauw.
Dussssss…..

Nog even over die smurfen.
Ik heb nu een aantal afleveringen gezien, en de smurfen zijn niet echt geëmancipeerd. Nu weet ik niet of dat moet, of dat het de bedoeling is, maar in elk geval bestaat het smurfenvolkje uit voornamelijk mannetjessmurfen, die allemaal hun eigen kenmerk of kwaliteit hebben. Knutselsmurf is het mannetje dat (niet) kan knutselen, Brilsmurf is het betweterige mannetje, Lolsmurf komt de hele dag met (ontploffende) cadeautjes aan en Moppersmurf, Klungelsmurf en Dichtsmurf houden zich respectievelijk bezig met mopperen, klungelen en dichten. En zo wonen ze met z’n 101-en in een dorpje. 100 Mannetjes, en 1 vrouwtje. Nu heet dat ene vrouwtje Smurfin.
Smurfin heeft geen kenmerk of eigenschap, haar kenmerk in het verhaal is dat ze een vrouwtje is.
Ik wilde het maar even zeggen….
—–
Aan de andere kant doen die 100 mannetjessmurfen natuurlijk wel allemaal hun eigen afwas.
Dat dan weer wel.