Golfje

De dromer zit aan de kant van de oever en roert met een stokje in het water.
Het water dat zo vredig stil lag snapt het niet. Het botst tegen zichzelf op en er ontstaat een klein golfje dat al verdwenen is als je met je ogen hebt geknipperd.
De dromer kijkt naar boven. Het is zonnig en warm. Het is een dag om in het hooi te eindigen. Met vlees en brood en kool.
Hij kruist zijn benen.
Een vlieg kriebelt op zijn knie. Een wolk in het blauw wiebelt in het kabbelende water voorbij.
Hij roert nog een keer. Nog een golfje. Het water botst en verdwijnt vredig in zichzelf. Het zal straks gaan regenen.
Maar voorlopig zal het nog even nu zijn.

Fijner

Ik fiets door de stad en het ruikt naar zee. Ik ben alleen, maar in gedachten kijk ik iemand aan. Zij mij, en ik stel me voor dat we hetzelfde denken: Lucht, zand en zout.
Ik glimlach en een tegenligger glimlacht terug. Die wil vast weten waar ik aan dacht.
Ik glimlach harder.
Wat is het toch heerlijk om gedachten voor jezelf te houden.
Je gaat er leuker van lachen.

Straks ga ik naar huis en ga ik de hele avond Nederland 2 kijken. Iets over China. En daarna Jeruzalem.
Ik zal er weinig van mee krijgen.
Ik ben te optimistisch voor de Klaagmuur, vanavond.
Of muren van welke orde dan ook.
Haat en nijd.
Woorden die geen woorden, maar daden zijn.
Muren, waarachter geld, een land en liefde ligt.
Lijden.
Ik zal het laten voor wat het is.
Ik doe de tv uit, en ga met een boek op mijn stoepje.
En ik mijmer. Over lucht, zand en zout.

Tegenoffensief

‘Vijftig a zestig. Ja ik denk, als ik zeg dat er honderdvijftig komen wordt ze helemaaaaal gek.’ De buurjongen doet zijn verhaal aan een huisgenoot. Ze staan in de tuin hiernaast. Hij is even vergeten waarom er net een vrouw van achtentwintig met mijn naam aan de deur stond om te vragen of er soms vanavond een feestje is.
Misschien omdat ik zijn buurvrouw ben. En dus alles hoor door het open raam.

Honderdvijftig dus.
Stiekem moet ik om hem glimlachen.
Probeert ie me te sparen door er honderd mensen af te liegen.
Alsof dat na vijftig schreeuwende kerels nog uitmaakt.

Tegenoffensief.
Een tegenoffensief.
Ik ben een ware vechter,
de boxen lonken,
de muziek kijkt me aan.
En zoek een bed in een ander huis in een andere straat.

Rozig

Op het moment dat ik besloot om het personeelsuitje aan mijn neus voorbij te laten gaan, was het vakantie.
Vakantie van alles, behalve de zon. En rosé.
We fietsten.
Tussen koeien, sloten, paden en gras.
Geen tas, geen sleutels,
een bril, een tientje en een lach.
Vakantie.
Op een donderdagavond.
In eigen stad.

Is

Waarom, dat kon hij niet zeggen.
En ook niet waarvoor.
Alleen dat het voor hemzelf was.
Zonder reden.
Behalve zijn eigen dan.
Eigen redenen.
Het was niet dat hij het stil
wilde houden.
Of geheim.
Er waren gewoon geen woorden voor.