‘Vijftig a zestig. Ja ik denk, als ik zeg dat er honderdvijftig komen wordt ze helemaaaaal gek.’ De buurjongen doet zijn verhaal aan een huisgenoot. Ze staan in de tuin hiernaast. Hij is even vergeten waarom er net een vrouw van achtentwintig met mijn naam aan de deur stond om te vragen of er soms vanavond een feestje is.
Misschien omdat ik zijn buurvrouw ben. En dus alles hoor door het open raam.
Honderdvijftig dus.
Stiekem moet ik om hem glimlachen.
Probeert ie me te sparen door er honderd mensen af te liegen.
Alsof dat na vijftig schreeuwende kerels nog uitmaakt.
Tegenoffensief.
Een tegenoffensief.
Ik ben een ware vechter,
de boxen lonken,
de muziek kijkt me aan.
En zoek een bed in een ander huis in een andere straat.