En dan kwam ze terug

Het is een jaar of drie geleden, dat grote delen van mijn dag om dit nummer draaiden.

Ik reisde met een rugzak vol grote ogen en extra geheugen, een beetje ellende en verrassende toekomst in Azië rond. Het was er heet, bloedheet, het was er heter dan heet. Het was zo heet dat het pijn deed en ik hield ervan zoals ik er altijd van gehouden heb en dat altijd zal doen.
Ik was in mijn eentje en dat was ook het enige wat ik wilde. Na een tijdje Thais bier en Cambodjaanse toestanden was ik in mijn laatste reisweek neergestreken op een verlaten eiland en ik las, at en dronk. Daarna at, las en dronk ik naar het moment toe dat ik weer wat las, at en dronk. Ik dronk ook wat nadat ik mezelf een eigenhandig geschreven gedicht had gegeven en daarna keek ik naar de zee.
Soms dronk ik cocktails met mijn nieuw gevonden vrienden.
De zee kwam naar me toe.
En dan ging de zee weer weg en dan kwam ze weer naar me toe.

Ik weet nog wat ik dacht als ik daar naar keek.
Ik weet ook nog precies hoe het eruitzag. En dat ik alles wilde, straks als ik weer thuis was. Ik wilde de mooiste baan, het fijnste huis en de liefste lief. Maar nu nog niet. Straks.
Nu wist ik dat er een later was.
En nu keek ik naar de zee.
De zee ging weg en de zee kwam terug. In het Thaise zand, met tussen mijn vingers de korrels van mijn leven in Nederland. Straks.
Nu.
Straks.

Prutser

Hij was een prutser.
Hij wist niet eens waar zijn linkerhand zat en waar zijn rechter begon.
Hij was een prutser
die niet zag dat een zin een punt had, en die bij een kleine letter met lezen begon.
Hij was een prutser
een prutser
van willekeur
die toekomst einde ander verleden met een niet zag in het dat de begon.

Brief

Op tafel ligt een brief.
Niet voor een ex of een lief,
maar wel met letters en woorden en met de hand geschreven.
Ik weet nog niet voor wie,
maar hier ligt een brief
met komma’s, punten en een uitroepteken
en wie ‘m krijgt die vind ik lief.

Links is verleden, omhoog je verstand, gevoel naar beneden, rechts de toekomst

‘Je kunt beter via de Waalkade fietsen, want daar kom je niet goed uit.’ Ik wijs naar de ene kant.
‘Oh oké. Dan ga ik zo!’ Met haar fiets rijdt ze achteruit.
‘Ja want daar heb je allemaal van die keien, enzo.’ Ik wijs naar de andere kant. ‘Kijk, en daar is dus het water.’
‘Jaja, dat zie ik Riekster. Dat zie ik. Nou, dan ga ik eens even supergoed uitkomen, daar!’

We zwaaien dag.

Dankjewel voor de leuke avond, denk ik nog. Maar ik zeg het niet.
Als ik terugloop, denk ik aan van alles en salade en het zand tussen mijn tenen.

Roos, Piet, Hout en Dido

Het is een rustige vrijdagavond en ik heb zin in iets spontaans. Naast me staat een grote mok thee, op de hoek van de tafel ligt een map en daar bovenop wankelt een rommelige stapel administratie.
Twee beesies liggen enorm oranje te zijn naast mijn zonnebril op tafel. Ze kijken me aan. Ik heb geen zin om thuis te zitten. Ik ga liever, ik vertrek liever, ik ben niet moe genoeg om thuis te zijn. De leukste mensen van de wereld lopen nu vast in de stad.
Ik doe de zonnebril op.
Waarom ben ik vanavond eigenlijk niet gebeld?
Ik staar naar het scherm. Op Facebook gebeurt niks.
Refresh.
Niks.
Dan flikker ik de thee in de gootsteen en duik in de koelkast voor iets alcoholisch en kouds.
De buren zijn thuis, maar de muziek mag toch wel iets harder vanavond. Van Impa steel ik het idee van even flink Jacques Brel. Ik zet het raam open. Ik denk aan het huis met de rozenstruik waar ik gisteren was. En de houten vloer en dat ik voor de zekerheid vast mijn telefoonnummer gaf. (Voor de koopakte, straks.)
Ik kijk nog eens naar mijn scherm. Op You Tube beland, denk ik even dat Dido een 7-up reclame heeft ingezongen. Tegen de tijd dat ik door heb dat ik niet op Dido wacht maar naar Fido Dido kijk, ben ik alweer van het 7-up concept doordrongen.

Eergisteren vertelde ik aan iemand dat ik zeker wist wat mijn mooiste dag van 2009 was.
Zij wist met zekerheid haar mooiste dag van 2010. Nu al.

Eergisteren vertelde ik aan diezelfde iemand dat iets me dwarszat.
Zij antwoordde daarop dat ik misschien een onrealistisch referentiekader had.
Hopsa.

Daar had ik op het terras in de stad nooit over nagedacht.