Riekster en de klantenbinding

Typ, typ, typ, druk ik op de sneltoets van de telefoon op mijn bureau. Met een markeerstift tik ik even een spelfout in een brief aan.

Klant: ‘(naam bedrijf), goedemorgen met (naam).’

Riekster: ‘Hey, goedemorgen met Riekster. Ben je er tóch? Fijn, ik dacht namelijk dat jij er vandaag niet zou zijn.’ Met mijn vinger tik ik op mijn bureau.

Klant: ‘Hai. Ik ben er wel schat, jij zou er vandaag niet zijn.’

Riekster:’Ik?’

Klant: ‘Ha ha ha ha ha ha.’
Klant komt niet meer bij. Ik kijk naar buiten. Welke dag is het eigenlijk vandaag?

Riekster: ‘Verrek. Je hebt gelijk.’

Klant: ‘Maar nu ik je toch spreek, mijn vrijwilliger in Rwanda kan niet naar huis omdat het vliegtuig twee lekke banden heeft. Kun jij daar iets mee?’

Ik stop de stift in mijn mond en zie dat buiten de zon triomfantelijk schijnt.

Zwemmen

‘Het is eigenlijk net het leven, als je het niet wil, dan gebeurt er niks’, zei ze.

Goed

‘Waarom laat je me altijd doen wat ik wil doen?’ De Dromer ligt bovenop zijn dekbed. Met zijn kleren aan.

‘Omdat ik weet dat het goed voor je is. Ook al irriteert het je.’ De Denker staat voor de boekenkast. Met een stapel in zijn ene hand, zet hij met zijn andere de boeken een voor een terug in de kast. Straks zullen ze er allemaal weer uit vallen. Maar het is goed, opgeruimd voor nu.

‘Goed voor me? Waarom niet een beetje weerstand.’ De Dromer kruist zijn ene been over zijn andere. Hij ligt. En hij zucht. Met een hand trekt hij het dekbed onder zijn hoofd. ‘En ja. Het irriteert me.’ Hij zucht. Nog eens. Hij komt overeind en knijpt met zijn ogen.

‘Ik zal de volgende keer zeggen dat je iets niet moet doen. De eerst volgende keer. Goed?’ Een boek valt uit de kast.

‘Ja’, zegt de Dromer. ‘Zo is het goed.’

Een engeltje er was

Eens in de drie jaar kom ik een onbekende man tegen die mij ongevraagd wijze raad geeft. Ik ben ergens en dan plots, is hij er. Dan zit hij naast me, elke keer in een andere gedaante en hij zegt iets over mij en wat ik moet doen. De laatste keer dat ik hem sprak was in 2007. Die keer ervoor was in 2005. Ik weet nog hoe hij er toen uitzag; een jaar of eenenveertig en kaal.
De man had zich al een tijdje niet laten zien en niets van zich laten horen. Ik heb tussen 2007 en nu weleens gedacht dat ik hem nú nodig had voor advies, maar dan kwam hij niet. Dan wilde ik dat hij me eventjes het leven door zou dragen. Maar hij kwam niet. Het hoefde niet, moet hij hebben gedacht.
En deze week was-ie er ineens.
Als een engeltje zat hij op een bankje naast me op het Valkhof in Nijmegen waar op dat moment een band speelde. Hij zei dat het zeker goed kwam als ik maar deed wat ik wist dat het goede was. Niet omdat ik dat had geleerd, maar omdat ik het wist. Niet omdat ik het droomde, maar omdat ik wist dat het het juiste was. Ik had een broodje met drie knakworsten in mijn hand en terwijl ik de mosterd van mijn kin schraapte en luisterde naar zijn verhaal, wist ik dat hij het was.
Als een engeltje heeft hij mij routes laten wandelen door de stad die leidden tot het nét mislopen van iemand die ik beter niet tegen kon komen, deze week. Hij heeft me even laten verdwalen in een buurt die ik als mijn broekzak ken. Als een Engeltje liet hij me een uurtje langer slapen, waardoor ik wel te laat op mijn werk kwam, maar er ‘s avonds ook weer beter tegenaan kon.
En toen het bijna fout ging, ik te moe was en bijna domme dingen deed, duwde het Engeltje de cafédeur dicht en zette er een horde mensen voor zodat ik er niet meer in kon. Ik weet dat hij het was.
Een Engeltje, dat die horde buitenstaanders humor gaf die mij vervolgens vreselijk aan het lachen maakten.
Een Engeltje dat voorkwam dat ik iemand de nek omdraaide. Dat mij ook midden in de nacht liet inzien dat het achtereind van een kameel nog belangrijker is, en ook de zon van de volgende dag.
Een Engeltje.
Een Engeltje er was.

Riekster was op het Valkhof en werd verrast

En zag even dat de wereld heel anders was.