De Lovedoctor zegt dat als het feestje De Bedoeling was geweest, dat ik dan wel zou zijn gegaan. ‘Zo gaat dat bij jou namelijk altijd’, zegt ze. ‘Niks aan de hand dus.’
Ik grinnik. De Lovedoctor weet als geen ander dat het niet waar is wat ze zegt, maar het beurt me wel op. ‘En die vrouw die jij ‘s middags in de stad zag, die was daar echt niet voor uitgenodigd hoor’, zegt ze. ‘Dus daar hoef je je ook geen zorgen over te maken.’
Ik moet hard lachen. Dat weet ze helemaal niet, wie er wel of niet was. Maar toch hoef ik de Lovedoctor niks te vertellen. De Lovedoctor weet mijn flarden altijd precies goed in lopende zinnen samen te vatten. Flarden die wat mij betreft alle kanten op gaan; soms recht, soms krom, en dan zweren ze samen en kronkelen ze zich op tot een warrige bol waar je nog geen trui van kan breien. Maar de Lovedoctor weet precies hoe ik denk en ziet in die lijntjes niet alleen letters en woorden en lopende zinnen, maar ook nog conclusies en feedback.
Ik grinnik erom, maar omdat ik de Lovedoctor niet zomaar gelijk wil geven, besluit toch in de mopperaanval te gaan. ‘Als jij je naam nou eens eer aan zou doen, Lovedoctor, dan zou je mij niet steeds gaan zitten analyseren, maar zou je me tijdig van concreet en uitvoerbaar advies voorzien. Opbouwen en repareren.’
De Lovedoctor zwijgt. Aan de stilte hoor ik dat ze weet dat ze gelijk heeft. Dan zegt ze: ‘Jij zou rustig doen, en dat heb je gisteren uitstekend op eigen kracht gedaan.’
Daar zat ik naar te vissen, dat compliment. En nu ik hem heb, ben ik tevreden.
Ik hou dan ook maar mijn mond over die vijf flessen Prosecco die ik gisteren nog soldaat maakte. Ja, ik niet in mijn eentje, we waren met z’n vieren en ik dronk voornamelijk uit schuldgevoel. Eerst dronken we er eentje op de studie, toen eentje op een nieuw huis, daarna een fles op de liefde, een fles op het leven en nog een laatste fles op de kiezelsteentjes in L.’s voortuin.
Ik zeg het maar niet, van die flessen Prosecco. Ik denk dat me mijn compliment dan weer wordt afgenomen.
Ik hou het zo. In alle talen.
In alle talen
Stad en kleur
Ze hield nergens rekening mee, ze ging gewoon.
Hij ook niet. En hij ging niet. En toen waren ze ineens heel ver van elkaar.
Of dat nou helemaal het beste was, dat wisten ze pas later.
Riekster glimlachte om Huub…
…toen ze zomaar wat bladerde, maar plots deze zag:
DE ENE DAG IS DE ANDERE NIET
De ene dag is de andere niet
De ene dag schittert, de andere giet
Dan weer bewolking, dan weer een lied
De ene dag is de andere niet
De ene dag regen, de volgende zon
Vandaag lukt weer alles wat gisteren niet kon
Morgen gaat brengen wat je nu nog niet ziet
De ene dag is de andere niet
Je krijgt langzaam door hoe alles geschiedt
De ene dag is de andere niet
Gisteren stralend, morgen van streek
Vandaag zie je scherp hoe je je gisteren verkeek
En hoe zal het zijn aan het eind van de week?
Het komt allemaal in orde
Het komt allemaal goed
Het kon als het niet morgen is
Wel eens overmorgen worden
Maar maak je geen zorgen
Het helpt niks als je dat doet
Het komt allemaal in orde
Het komt allemaal goed
Gisteren waardeloos, morgen weer mooi
Dan weer geweldig, dan weer geklooi
Gisteren dubbel, morgen weer quitte
De ene dag is de andere niet
Het duurt meestal even voordat je het ziet
De ene dag is de andere niet.
Soms in de wolken, soms in mineur
Nu gaat het soepel en straks met gezeur
De ene keer somber en dan weer in kleur
Het komt allemaal in orde
Het komt allemaal goed
Is het nog niet morgen
Dan kan het wel eens overmorgen worden
Maar maak je geen zorgen
Het helpt niks als dat doet
Het komt allemaal in orde
Het komt allemaal goed
Uit: Huub van der Lubbe – Guichelheil
Dag pop!
‘Dat merken ze daarna wel.’ Hij zucht, slaat met twee handen op zijn bovenbenen en staat op. ‘Nadat ze het eerst hebben uitgemaakt.’ Hij loopt door de deur naar de gang.
In de woonkamer blijft het stil. ‘Doe jij dat zo?’ roept ze.
‘Ja, want anders kiezen ze niet voor mij.’ Hij pakt zijn jas, en kijkt om zich heen. Zijn sjaal is op de grond gevallen. Hij bukt. ‘Dan vragen ze alleen of ík voor háár zou gaan en blijven ze vervolgens bij die vent. Dat is niet kiezen, dat is opties genereren.’ Hij komt overeind. ‘Brrr.’
‘Dat jij dat durft’, komt er uit de woonkamer. ‘Stoer.’
‘Tuurlijk durf ik dat. En jij durft dat ook, moet je gewoon eens doen. Dag pop!’ Hij kijkt nog even om het hoekje, stuurt met zijn hand een kus door de lucht en dan valt de deur dicht. Zijn voetstappen verdwijnen naar zijn lege huis.
Ze staart door het raam. ‘Ik zeg altijd ja’, mompelt ze in de kamer.
En niemand neemt haar dat kwalijk.
Hard glas – 2
Hij pakt mijn bril van mijn neus en legt die op een bijzettafeltje. ‘Tsja. Bij Hans Anders zoeken ze mensen die toevallig die ene Aldi-lens passen. Wij zoeken de juiste lenzen bij elke individuele klant.’ De nieuwe opticiën kijkt me triomfantelijk aan.
‘Dus ik word hier niet als de kudde gezien?’
Hij knikt. ‘Geen kudde.’
‘Want elk oog is anders, zeker?’
‘Ja. Net als elke koe en elk schaap.’ Hij rommelt wat in een kastje en draait zich dan weer naar mij.
‘Jaja.’ Ik denk, dit gaat in de papieren lopen.
‘En om de jouwe wat beter te kunnen bekijken giet ik er nu een fluoriserend goedje in.’
‘In mijn koe of mijn schaap?’
Hij lacht. In zijn hand heeft hij een fles en een doekje en een staafje dat eruit ziet als het staafje waar ik ooit op de lagere school PH-waarden mee testte. Zuur. ‘Kun je er tegen als ik aan je oog zit?’
‘Ja hoor.’
Hij drupt het zuur op mijn broekspijp en dan ook in mijn oog.
‘Als je nu naar de discotheek gaat, dan zie je eruit als een zombie.’ Hij knipoogt.
Ik lach een beetje en wrijf in mijn oog. ‘Koeien, schapen en zombies’, mompel ik. ‘Het wordt hier druk.’
‘Niet in je oog wrijven.’
‘Het zit nou niet echt lekker, fluoriserend zuur in je oog.’
‘Wacht maar.’ Hij pakt zijn zaklamp en schijnt die recht in mijn zicht. Hij kijkt en ik knipper en dan kijkt hij nog beter en ik knipper als hij zegt dat ik moet knipperen. ‘Oké.’
‘Moe’k knipperen?’
‘Nee. Oké.’
‘Knipperen?’
‘Nee. Recht vooruit kijken.’ Hij schijnt en mompelt ‘hmhm’ en ‘jaja’.
‘Oké.’
‘Oké?’
‘Je zit in de middenmoot.’
‘Wel godverdorie.’ Ik leun naar achteren, de opticiën doet het licht weer aan.
‘Niet goed?’ Hij legt zijn zaklamp op het bureau.
‘Dat ligt eraan hoe duur die middenmoot is.’ Middenmoot. Wat is dat nou weer voor woord, het lijkt hier wel de viskraam. Of nee, een dierentuin.
‘Tweehonderdvijftig euro. Maar daar zit de lenzenvloeistof bij.’
‘Twee…..honderdvijftig? Kom zeg…’ Ik kleur rood. De tranen springen me in mijn fluoriserende ogen. Nu wordt het pas echt zuur.
‘Tsja. Die lenzen die je zestien uur kan inhouden die kosten…’
‘nog meer?’ Onderbreek ik hem.
‘Driehonderdtien. Per half jaar.’
Ik begin te lachen. ‘Dat is een Macbook per jaar, meneer de opticiën.’
‘Nou…..een Macbook is wel iets duurder hoor.’ glimlacht hij.
‘Niet als ik de studiekosten die ik bij de belastingdienst kan opvoeren eraf trek.’ Ik vraag me af hoe het ineens zo gekomen is dat ik het met de opticiën over mijn studie en de kosten van een nieuwe computer heb.
Hij grinnikt. ‘Wil je anders een gratis setje testlenzen mee?’
‘Hoe lang kan ik daarmee doen?’
‘Een maand.’
‘Dat lijkt mij een goed idee.’
Hij geeft me een setje. ‘Probeer maar eens. Maar denk eraan he, het zijn wel je ogen.’ Hij knikt me toe.
Ik been de deur uit. Het zijn wel mijn ogen. Tweehonderdvijftig euro.
‘Schrijf me voor volgende maand ook maar voor zo’n testsetje in’ mompel ik nog als ik alweer buiten sta.
Mmm waf
Het hondje is net zo oud als het baasje. Ik schat tachtig. Aan zijn lijntje schuifelt hij achter oma aan. Het gaat trager dan traag en toch heeft het beest zijn tong op straat hangen, maar langzamer gaat het niet. Zijn haartjes zijn te kort en z’n pootjes ook. Hij gaat als knakworst door het leven en een broodje zou hem dan ook niet misstaan.
Oma kan hem niet meer elke dag kan kammen. En haar eigen haar ook niet. Oma vindt het moeilijk, dat lopen met trombose en dan ook nog dat huisdier erbij. Vroeger was het leuk. Nu is het veel. Terwijl, van de Knakworst hoeft het niet. Dat lopen. Knakworst vindt het prima, in de mand.
Oma schuift moedig haar ene steunkous voor haar andere. ‘Mmm waf.’ Zegt het hondje.
Ze hebben nog een lange weg te gaan.