Hij pakt mijn bril van mijn neus en legt die op een bijzettafeltje. ‘Tsja. Bij Hans Anders zoeken ze mensen die toevallig die ene Aldi-lens passen. Wij zoeken de juiste lenzen bij elke individuele klant.’ De nieuwe opticiën kijkt me triomfantelijk aan.
‘Dus ik word hier niet als de kudde gezien?’
Hij knikt. ‘Geen kudde.’
‘Want elk oog is anders, zeker?’
‘Ja. Net als elke koe en elk schaap.’ Hij rommelt wat in een kastje en draait zich dan weer naar mij.
‘Jaja.’ Ik denk, dit gaat in de papieren lopen.
‘En om de jouwe wat beter te kunnen bekijken giet ik er nu een fluoriserend goedje in.’
‘In mijn koe of mijn schaap?’
Hij lacht. In zijn hand heeft hij een fles en een doekje en een staafje dat eruit ziet als het staafje waar ik ooit op de lagere school PH-waarden mee testte. Zuur. ‘Kun je er tegen als ik aan je oog zit?’
‘Ja hoor.’
Hij drupt het zuur op mijn broekspijp en dan ook in mijn oog.
‘Als je nu naar de discotheek gaat, dan zie je eruit als een zombie.’ Hij knipoogt.
Ik lach een beetje en wrijf in mijn oog. ‘Koeien, schapen en zombies’, mompel ik. ‘Het wordt hier druk.’
‘Niet in je oog wrijven.’
‘Het zit nou niet echt lekker, fluoriserend zuur in je oog.’
‘Wacht maar.’ Hij pakt zijn zaklamp en schijnt die recht in mijn zicht. Hij kijkt en ik knipper en dan kijkt hij nog beter en ik knipper als hij zegt dat ik moet knipperen. ‘Oké.’
‘Moe’k knipperen?’
‘Nee. Oké.’
‘Knipperen?’
‘Nee. Recht vooruit kijken.’ Hij schijnt en mompelt ‘hmhm’ en ‘jaja’.
‘Oké.’
‘Oké?’
‘Je zit in de middenmoot.’
‘Wel godverdorie.’ Ik leun naar achteren, de opticiën doet het licht weer aan.
‘Niet goed?’ Hij legt zijn zaklamp op het bureau.
‘Dat ligt eraan hoe duur die middenmoot is.’ Middenmoot. Wat is dat nou weer voor woord, het lijkt hier wel de viskraam. Of nee, een dierentuin.
‘Tweehonderdvijftig euro. Maar daar zit de lenzenvloeistof bij.’
‘Twee…..honderdvijftig? Kom zeg…’ Ik kleur rood. De tranen springen me in mijn fluoriserende ogen. Nu wordt het pas echt zuur.
‘Tsja. Die lenzen die je zestien uur kan inhouden die kosten…’
‘nog meer?’ Onderbreek ik hem.
‘Driehonderdtien. Per half jaar.’
Ik begin te lachen. ‘Dat is een Macbook per jaar, meneer de opticiën.’
‘Nou…..een Macbook is wel iets duurder hoor.’ glimlacht hij.
‘Niet als ik de studiekosten die ik bij de belastingdienst kan opvoeren eraf trek.’ Ik vraag me af hoe het ineens zo gekomen is dat ik het met de opticiën over mijn studie en de kosten van een nieuwe computer heb.
Hij grinnikt. ‘Wil je anders een gratis setje testlenzen mee?’
‘Hoe lang kan ik daarmee doen?’
‘Een maand.’
‘Dat lijkt mij een goed idee.’
Hij geeft me een setje. ‘Probeer maar eens. Maar denk eraan he, het zijn wel je ogen.’ Hij knikt me toe.
Ik been de deur uit. Het zijn wel mijn ogen. Tweehonderdvijftig euro.
‘Schrijf me voor volgende maand ook maar voor zo’n testsetje in’ mompel ik nog als ik alweer buiten sta.
Een Macbook in je ogen. Zou je al bijna bang worden er eentje te verliezen zeg. Maar toch al fijn dat deze meneer enkel zuur in je ogen strooide en het niet in de mond nam. Een vooruitgang. En een testsetje. Mocht je nu in de zevende hemel zijn en tot minstens zo ver scherp kunnen zien daarmee, dan zou ik toch ervoor gaan hoor. Voor die Ipod. Eh, I-eyes.
(Hier in BE heb je Lensonline, en die hebben ook gewoon winkels, waar heel goed personeel werkt. Maar Google vertelde mij dat dat in NL niet bestaat. Anders kon je daar nog eens een opticien lief aankijken en zien wat zijn oordeel is.)