Ik wil de waarheid vertellen, zegt de een
en de ander denkt:
waarom wil je de vrede niet vertellen
of de liefde
of de verregaande regenachtigheid van het bestaan?

Er rijdt een wagen door de straat.
Neem mij mee, zegt de ander, sleep mij achter je aan,

en de een begint de waarheid te vertellen,
de hele waarheid,

holt al vertellend de ander achterna.

Toon Tellegen

Kan mezelf niet meer horen

Deze week kreeg ik twee e-mails van mensen die op zoek zijn naar iets. Eentje zoekt een huis omdat haar relatie over is, en een ander zoekt ook een huis, omdat ze gewoon ergens anders heen wil. Of we om ons heen willen kijken en luisteren.
Vooral die van de relatie-ten-einde sprak me aan.
Ik was blij dat ik dat probleem in elk geval niet had. Een samenwoon-break-up.
Ik kan me dan wel in niemands schoot vleien aan het einde van een haperende werk- en klusdag, en ik kan mezelf niet meer over laminaat en verf horen, of over ‘hoe’ ik het in godsnaam zal doen. Ik raak dan wel in paniek in de Praxis door de overdaad van emmers, maar mijn dieptepunten zijn relatief. Die van deze week was dat ik om vijf voor negen in de ochtend met klussend Nederland in de rij voor een dichte Gammadeur stond te wachten. (Waar ik, ongemakkelijk als ik me voelde, grappen ging maken die niemand snapte.)
Dat was overigens wel een signaal. Dat van die Gammadeur. Met mijn lidmaatschapspas.

Maar ik word er tenminste beter van.
En de Gamma al helemaal.

De grote voordelen en de grote nadelen

In de warme zon hangen wij uit de open deur, en we bepalen de positie van de bakken die straks uit het raam komen te hangen. Met bloemetjes. Ook buiten zal het Zuid-Frankrijk zijn.  We keren ons af van verf, muren, mengen en structuren en bekommeren ons om klussen waar het nu nog niet om zou moeten gaan. De keukenkastjes, de kleur van het douchegordijn. Een plamuurmes kijkt ons vanuit zijn bakje aan.
Niks daarvan jij. Daar blijven.
We moeten even naar de positie kijken. Ik vanuit de woonkamer, zij vanuit het slaapkamerraam.

Al hangend kwam ik leuke details over anderen te weten.
Ik weet nu bijvoorbeeld dat de honden van een collega van de vriend van mijn collega Riet en Buffie heten.
Een emmer verf staart ons aan.

Hier versus daar.
Meditatief schilderen.
Klussen is zwaar.

De Slee

‘Hij mist een pedaal.’ Vragend kijk ik mijn bijrijder aan. We zitten in De Slee en moeten het ding naar Nijmegen zien te krijgen. Dat is zo’n 45 minuten rijden, en een koppeling is dan wel fijn. Om te schakelen, bijvoorbeeld.

‘Hoezo.’ Bijrijder kijkt me schaapachtig aan.

‘Nou, hij mist een pedaal.’

Bijrijder duikt met zijn hoofd onder het stuur. ‘Inderdaad. Je mist een pedaal. Gek.’

We zuchten en weten allebei hoe laat het is. Fuck.

‘Wat is P., denk je?’

‘Parkeren?’

‘En R?’

‘Achteruit?’

‘Oke. Hebben we nog N. en D.’

‘Tsja….’ Hij zucht. ‘Kweenie.’ Bijrijder duikt het dashboardkastje in en rommelt wat. Een paar seconden later komt er een boekje naar boven.
‘Instructieboekje voor de Volvo V70. Het bedieningspaneel. Pagina 19.’ Hij bladert. ‘Nee. Dat is het niet. Iets over de airco en hoe je je iPod aansluit. Handig.’
Hij bladert. ‘Hm.’
Hij bladert. ‘Starten en rijden. Dat is het. Oh kijk als je hierop drukt dan komt ie in de sportstand, wil je dat?’

‘Uh…nou, wat dacht je van überhaupt wegrijden?’

‘Oh ja. Even kijken. R. is achteruit. Ah, D. is rijden. Nou, rijden maar!’ Hij blijft met het opengeslagen boekje op zijn schoot zitten en kijkt me aan. ‘Riekster, rijden maar!’

De muziek bedienend met de knopjes op het stuur, toeren wij met airco, open ramen, trillende boxen en onze handen in de lucht het land door. Op zoek naar wasmachines en laminaat.

Grote ogen grote daden

Tussen de groene heuvels met weinig, liggen rode daken van bebouwde dalen. Er stijgen rookpluimen op.
Na de dorpen komen weer heuvels met weinig, gevolgd door nieuwe dalen met huizen en rode daken. Zo gaat het kilometers lang, totdat het laatste dorp wordt gevolgd door een bos.
Daar stopt het. Voorlopig.
Maar voor het stopt ligt aan de rand van het laatste dorp een postzegel. Een plakkertje grond met tien huizen erop. Tien, meer zijn het er niet. In die tien huizen wonen tweehonderdvijfentwintig mensen. Honderdvijftig grote, en vijfenzeventig kinderen. Ze hebben drie paarden, drie karren en één waterput.
Ze hebben ook grote bruine kijkers, een vieze toet, blote voeten, een smerig shirtje en met een beetje geluk een gore broek.
Zoals je op foto’s ziet.

Gisteren had ik de kinderen met z’n allen in één klaslokaal. Terwijl ze de tent uit stonken leerden ze stil zitten, een lied, en kleuren met je eigen stift op je eigen papier.
Een beetje stil zitten. Een beetje kleuren, en de stift die ze hadden gekregen, aan mij teruggeven.
Ze luisterden even, terwijl hun ouders met dezelfde vieze haren nieuwsgierig achter de ramen gingen staan. En toen werden blaadjes kreukelig, benen wiebelig en handjes jeukerig.
Het lukt een beetje. Zingen is schreeuwen. Maar de tekst weten ze. Lang niet gek, voor een Roma.

Een vieze toet van vijf jaar komt naar me toe. Hij laat zijn handen zien: groene viltstift overal.
Hij kijkt me aan en vraagt.
Ik weet niet wat hij bedoelt.
Hij kijkt me aan en vraagt:
‘Mag ik mijn handen wassen? Dat vind ik gaaf.’