Worst

Na zich eenendertig jaar te hebben bekommerd over wat anderen er allemaal van vonden, was de jongen op een dag tevreden.
Vanaf nu zou het hem allemaal worst wezen.

‘Zing ‘t eens?’
‘Ja, jeetje….’
‘Nou, zing het eens, dan pak ik het wel op.’
‘Ja jeetje…. Nou, hop dan. To call for hands of above
To lean on
Wouldn’t be good enough, ik kan niet zingen…’
‘Oh ja, nu heb ik hem.’
‘Mooi.’
‘Mooi!’
‘Ja!’

Speelgoed

‘Het lijkt wel speelgoed.’ De denker kijkt naar het blauw, het groen, het licht, het zwart. De kleuren, de beweging en de vormen in het filmpje.
‘Ja.’ Zegt de dromer. ‘Maar dat is het niet. Het is beeld.’ Hij beweegt zijn hoofd naar iets dichterbij.
‘Ja.’
‘Ja.’
Met zijn voet tikt hij tegen de tafelpoot.

Hoe kon hij

Hoe kon hij zich vergissen als hij niet wist wat de andere uitkomst was.
Hoe het zou zijn
en zou gaan.
Hoe kon hij zeggen dat het goed zo was,
als de tijd maar een kant op verstrijkt.
Van hier vandaan.
En nu.
En haar.

Een nog heel klein boefje

Hij jankte en hij piepte een beetje.
Met zijn kleine tandjes beet hij in mijn hand.
Op zijn twee snoetige achterpootjes stond hij met zijn zachte pluizenlijfje tegen mijn been te krabbelen.
‘Hoi! Wat fijn dat ik er ben!’ Zei hij.
‘Hier ben ik!’ Krabbelde hij.
Dat had ik wel gezien.
Piep.
Jank.
Pluis.
‘Haai, jij!’