‘Nu is niet het goede moment’, dacht Manuela voordat ze voorover van het trapje tuimelde.
‘Straks, straks, was een goed moment geweest.’
Beter dan ze misschien toe wilde geven.

Riekster vindt leuke dingen bij andere mensen (2): Katyo

Vannacht toen ik thuiskwam, wilde ik iets schrijven over energie. Die ik over had.
Ik kwam er niet helemaal uit, dus ik gooide dat wat ik had geschreven weg.
Vanochtend las ik blogs van andere mensen.
Vind ik dit op Katyo, die er wél uit kwam.
Mooi:

Energie achteraf

Energie is een bijzonder iets. Je kunt het ergens aan besteden. Of ergens aan verspillen. Het kan op raken, dus het klakkeloos overal in steken is een beetje zonde. Van die energie.

Het beweegt zich in doen. En in denken.

Denken kan over dingen die zijn. Zijn geweest. Of misschien gaan komen.

Misschien. Maar misschien ook niet. Mogelijke opties. Kansen. Nieuwe wegen. Andere verhaallijnen. Veranderingen. Alles kan tijdens het denken voorbij komen.

En als de dingen dan lopen zoals ze lopen -of dat nou precies is zoals je had verwacht, of juist precies het tegenovergestelde- blijkt bijna altijd hoe zonde het eigenlijk was om er van tevoren denkenergie aan te besteden.

Achteraf gezien.

(Katyo, 3 oktober 2009)

Plat

Terwijl ik van de voetgangersoversteekplaats tegen de richting in het fietspad op draai, zie ik -op het fietspad- een stuk duif liggen. Een stuk vleugel en een enorm plat gereden ander stuk van de duif dat aan de vleugel vastzit. Geen bloed. Voor ik het goed en wel in de gaten heb rijd ik er overheen. Nu is-ie nog platter.
Ik moet grinniken, maar ik moet ook nog denken aan de opmerking van Lunchpauze-maatje dat ze ‘héél graag naar Auschwitz wil’. Nogal gek gekozen woorden, ook vieren -uh- zestig jaar later nog. En ik denk aan de sigaret die zij wel rookte en ik niet, maar later toch.
Als ik later naar huis fiets doe ik voor zesenveertig euro boodschappen zonder verpakking -behalve het wasmiddel, dat kun je niet zo in je hand meenemen- die ik thuis allemaal weggooi nadat ik eerst val op de natte straat en de de wasmiddelverpakking knapt om vervolgens leeg te lopen in de plastic tas waar de rest van de onverpakte boodschappen in zit. De omgeklapte paraplu had al een andere prullenbak gevonden. Weg ermee.
Ik stuur een sms.
Ik krijg een sms terug en ik stuur er nog een.
Thuis luister ik Travis.
De voordeur ruikt naar wasmiddel. En mijn fiets en mijn broek en mijn schoenen en drie theedoeken en het aanrecht ook. En de chips die op een hele andere plek lag smaakt ernaar.
Ik ben te druk. Vooral in mijn hoofd.
Dan krijg je dat.

Toch

Een tijdje geleden ontzegde ik iemand de toegang tot deze site. Raar is dat.
Eigenlijk was het een laffe actie van mezelf, want vanachter acht miljard hondervierendertig miljoen vierhonderdzevenentwintig duizend zeshonderddvierenzeventig andere computers kan de persoon in kwestie nog steeds alles op Riekster lezen.
Of het was juist een hele stoere actie, om – ondanks dat – toch even het signaal af te geven.
Wanneer doe je zoiets?

Het was nog een hele onderneming voor een nieuwe-media-angsthaas als ik die alleen wil schrijven en mooie dingen maken, maar niets van WordPress, php’s of nou ja, Dat Soort Dingen dus weet. Gelukkig heb ik mijn Nieuwe Media Vriend in Rotterdam die met Dat Soort Dingen steenrijk wordt, en na een hoop geklungel van mezelf alles voor mij even tussendoor en gratis deed. Toen was het zo gepiept.

YEAH.

?

Ik heb iemand de toegang tot mijn site ontzegd.
Is dat wel de bedoeling?
Wie bepaalt hier eigenlijk wat de bedoeling is?

Vroeger, als er in het café waarin ik werkte stomme gasten kwamen, dan zette ik altijd muziek op waarvan ik dacht dat ze dat wel vre-se-lijk zouden vinden. Werkte altijd. Waren ze zo weg, vaak nog voordat ze hun eerste glas leeg hadden.

Jammer dat Riekster geen café is.

Toch gek.

(Yeah.)

toch?

Sijniet

In het hoekje van het dorp lag een sloot. Achter de bomen tussen het riet lag een streepje water waar eendjes zwommen en torretjes rommelden. In het gras en naast het gekabbel vonden modderige klompjes zand hun weg naar beneden. Verderop pruttelden en kwebbelden vogeltjes druk van de grond naar de lucht en terug.
En de sloot had zon.
Een zon die scheen.

Daar in de zon, lag de Joker op te drogen. Dat was niet voor het eerst, hij liep er wel vaker in, in de sloot.
Een keer, ook wel twee keer, en zelfs drie of vier keer als dat nodig was. Donderde hij er zo in. Geregeld had hij zijn muts nog op zijn kop als hij in het water viel. Zijn hele hebben en houden. Besmeurd en bemodderd klom hij dan terug naar de kant. Weer een nat pak. Dat was niet de eerste keer geweest.
En ook niet de laatste.
Maar dat hoefde ook niet want hij kon altijd nog zichzelf inzetten.

Vrienden van de Joker deden er niet zo makkelijk over, dat in die sloot lopen. Een keer, lang geleden waren ze erin gevallen, en dat was genoeg. Dan had je je les wel geleerd, vonden zij.
De Joker echter, zagen ze regelmatig kopje onder gaan. En opnieuw. En opnieuw.
En dat vonden de vrienden niet grappig, maar zwak. Iemand die niet leerde. Iemand die niet voor zichzelf opkwam. Iemand die donderwolken volgde, en de zon zou voor hem niet harder gaan schijnen als je er maar om bleef grijnzen.
Niet op deze manier. Vonden Jan, Meetje en Piet.

Maar zij waren de Joker niet.