Hij jankte en hij piepte een beetje.
Met zijn kleine tandjes beet hij in mijn hand.
Op zijn twee snoetige achterpootjes stond hij met zijn zachte pluizenlijfje tegen mijn been te krabbelen.
‘Hoi! Wat fijn dat ik er ben!’ Zei hij.
‘Hier ben ik!’ Krabbelde hij.
Dat had ik wel gezien.
Piep.
Jank.
Pluis.
‘Haai, jij!’