Witte

Ze zit aan tafel, ze kijkt naar de muur en ze zegt dat ze ook niet weet waar ze mee bezig is, als ze zichzelf hoort praten.
In haar hand heeft ze een glas witte wijn. Het is zeven uur.

Ik volg haar blik, maar ik zie niet wat zij ziet. Op de muur.

‘Mag ik een sjaal lenen?’

Dat mag ze.
Een sjaal.
Ze pakt de witte. Naar mijn dikke roze en fijne zwarte kijkt ze niet om. Ze weet niet waar ze mee bezig is, maar dat van die witte, dat weet ze wel.

‘Ik ga even sigaretten halen.’

Ze trekt de deur achter zich dicht en wandelt de stad in.
De stilte blijft hangen in de woonkamer.
De tafel en de muur houden zich gedeisd.
Tussen de kater en de gordijnen mijmert Damien Rice.

Riekster en het glansrijke leven

Beste Riekster,

U bent overboden op de advertentie: AEG stofzuiger met stofzakken.

*Zucht.*

Thee en muisjes

‘Geef mij maar aan een ander.’ De dromer neemt een hap van een boterham met gestampte muisjes. Hij kauwt amper en slikt dan de hele boel in een keer door.
De denker roert in zijn thee. ‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, geef mij maar aan een ander.’ Hij zucht en neemt nog een hap. De muisjes stuiven naar de overkant van de tafel.
‘Waarom zou ik jou in godsnaam aan een ander geven? En los daarvan, hoe zou ik dat moeten doen? En los dáárvan, sinds wanneer ben je van mij?’ De denker staat op en zet koffie.

Het was laat gister. Te laat. Zo laat dat hij niet meer weet hoe hij hier terecht is gekomen. Maar gelukkig is het hier altijd, hier. Ook ‘s avonds, ‘s ochtends en de volgende dag. En de verwarming staat altijd op vierentwintig graden. En er is altijd koffie na de thee.

‘Ik ben niet van jou. En je mag me weggeven.’
‘Het had ook een ander kunnen zijn.’
‘Had ook, ja.’

‘Ik. Ik had ook een ander kunnen zijn.’
‘Ook. Maar jij bent jij.’

‘Gelukkig ja. Fijn.’
‘Ja, fijn.’

—
Klik: walking on a dream

Riekster vond het mooi, toen ze dit las

Na een lachje of twee

En we staken nog een lachje op
we hielden ons nog even
in de hand, we zeiden zachtjes
het is mooi geweest dit leven
het is klaar en afgebrand.

Toen zei jij, nee, ik wil niet zweven
wil niet blind zijn voor de as
je bent een klootzak en ik haat je
en ik mis de stille echo van je pas.

Ik zweeg de sterren van de hemel
tastte naar een laatste grap
vond een leeg beduimeld pakje
moest daar hard om lachen
ik weet ook niet waarom.

Krijn Peter Hesselink

Ze weet het wel

‘Ze draagt een spijkerbroek met een gat erin, soms. En ze heeft daar laarzen onder. Niet van die hele stoere, maar ook niet truttig. Bruine. Of blauwe. Of groene. Dat mag ook. Als ze maar niet truttig zijn. Met een beetje geluk zijn het hele vrouwelijke en dan mogen ze ook best rood zijn, of een felle andere kleur. Maar niet ordinair.
Dat niet.
Ze neemt passen die precies groot genoeg zijn. Passen waaruit de rust en charme en gedrevenheid straalt die ze ook op haar gezicht heeft. Want op haar gezicht heeft ze een lach en rust. Met haar gezicht kijkt ze je aan.
Ze houdt zich aan de tijd, maar soms komt ze iets te laat. En soms komt ze spontaan langs. Staat ze ineens voor de deur.
En als het tocht in de woonkamer omdat ik nog steeds geen gordijnen heb opgehangen, staat ze op, zegt er wat van en doet dan de denkbeeldige gordijnen dicht.
En dan komt ze bij me zitten.’