‘Het escaleert helemaal uit de hand.’ De vrouw sleurt het kind aan zijn linkerarm over de koude straat. De man naast haar grinnikt.
‘Daar hoef je niet om te lachen.’ Nijdig kijkt ze hem aan.
‘Nee, daar lach ik niet….’ Met een schuin oog kijkt hij naar mij. Maar ho, ik sta alleen maar blauwbekkend buiten voor een curiosazaakje trots te wezen op die koperen kandelaar met het engelenjongetje die ik net heb gekocht. Zestien euro, best zwaar, koud. Ik ben blij dat ik eindelijk de kitsch heb gekocht die mijn huis hard nodig had.
‘Nou dan.’ De vrouw sleurt in hoog tempo door.
Die man en dat kind zijn echt zielig, met haar.
Vriend komt naar buiten. Hij heeft zes lp’s gekocht.
Als we terug naar het station lopen, komen we per ongeluk door een straat waar ik iemand ken, maar waarvan het niet de bedoeling is dat ik die tegenkom.
Hee, ik wist niet dat die straat hier was.
In mijn geheugen graaf ik naar het huisnummer. Was het negentig? Of zevenenvijftig. Of iets met honderd erin? Het was in ieder geval een wit huis. Wit.
We lopen een speciaal blokje om. Om het huis te zoeken welteverstaan.
Pionieren. (Stiekem. Woehoe.)
Als het jaar achter ons ligt, kijken de lovedoctor en ik altijd even een half uurtje vooruit.
Ik ben meestal na drie zinnen wel klaar. De lovedoctor echter, die heeft nogal eens een lijstje, voor het komende jaar.
Een lijstje dat begint met opsommingen die beginnen met ‘ik ga…..’ en eindigt met opsommingen die beginnen met ‘ik hoop….’
Om elk jaar weer tot dezelfde slotsom te komen.
‘In de liefde liggen de meeste leerpunten, toch wel.’
In het ziekenhuis zijn ze met een grote loep aan het bekijken of er ‘een onvriendelijk stukje India’ met mij is meegekomen naar Nederland.
Dat zou ik wel zeggen ja.
Een zéér onvriendelijk stukje India zou ik zelfs durven zeggen, dokter.
Het heeft me inmiddels al zes dagen gevloerd.
In de tussentijd vanaf mijn eigen Nederlandse bank onder een warm eigen dekentje met daarin nog een klein beetje Waalzand; even iets wat er niets mee te maken heeft.
Ongeveer dan.
Als ik vanuit mijn bed met mijn vingers het plafond aanraak, rek ik me zo dat ik een zwaardere tas kan dragen.
Mijn oor gaat naar mijn schouder en er is weer plek in mijn hoofd.
Mijn voet gaat in een schoen en de schoen gaat weer uit. Mijn voet schuift in een flip-flop. Lucht.
Nog even de benen strekken en dan kan ik er wel weer vijf kilometer mee lopen.
Het zou moeten lukken, zo.
Maar als ik al dat rekken nou eens laat,
vandaag.
En mijn hoofd gewoon recht op mijn romp laat staan,
heb ik meer tijd om te slapen.
Als we na vier en een half uur hobbelen over stenen en happen in stof met een volle blaas in het dorpje aankomen, zit iedereen al klaar. ‘Gepoetst en gestreken’ zou ik in Nederland zeggen. Maar dat is in dit dorp zonder stromend water -zonder uberhaupt water- een beetje ongepast.
Ze zitten klaar.
Stralend zitten de tachtig leden van de nomadenstam waar we op bezoek zijn voor hun tentje. Een huis, een thuis, een onderkomen waarmee wij nog geen halve dag op Lowlands zouden gaan staan.
Even stralend stap ik uit de jeep en in de hitte kijk ik om me heen. Naar wie loop je toe als iedereen al dagen zit te wachten op jouw hooggeeerd bezoek?
Moet ik naar een stamhoofd, of hebben ze die hier niet? moet ik iets uit, of moet ik iets aan, moet ik……
Moet ik hier een camera uit mijn tas gaan halen?
Daar staan we dan, te stralen.
Een vrouw komt druk pratend en in draf op ons af. Opa hobbelt er overzichtelijk achteraan. Hij draagt een mutsje en een jurk die vroeger wit was. Die man is oud. Rimpeliger kun je ze amper nog vinden, heden ten dagen.
De druk pratende vrouw neemt ons aan de hand en brengt ons naar haar huisje, haar tentje, haar onderkomen. Stralend gaat ze met haar armen vol plastic roze bloemen voor haar tentje staan. Samen met haar man, kaarsrecht, trots, samen, als een team naast elkaar.
De camera klikt. Ze staan erop.
Op naar de buren. Je moet niet denken dat het na 1 huisbezoek klaar is.
Iedereen bezochten we, iedereen. En allemaal poseerden ze met plastic bloemen, bergen plastic bloemen voor de camera. Bloemen die ze van een lening hebben gekocht, en waarvan ze kransen maken die straks door hun man in heel India worden verkocht. Niet via groothandels, gewoon, stiekem met de trein naar Delhi en dan zitten. Op straat. Met de kransen, voor 14 cent per stuk.
De lening heeft hun levens veranderd. Van niets zijn ze opgeklommen naar een fractie van een menselijke levensstandaard.
‘Opgeklommen naar een fractie van een menselijke levensstandaard.’
Ik kijk om me heen.
Voor me staan tien drukke peuters gekke bekken te trekken voor de filmcamera. Ze piesen bijna in hun broekjes van het lachen. Ze hupsen en springen heen en weer van enthousiasme.
Ik kijk om me heen.
Dit en dit en dit en dit hebben ze allemaal niet.
Ik denk aan Roemenie, ik denk aan Cambodja, ik denk aan Bulgarije. Ik knipper met mijn ogen, om te kijken of ik wakker ben.
Wat is dit, wat ben ik aan het doen, India, Roemenie, Cambodja en Bulgarije, wat ben ik aan het doen? Ik sta hier potverdomme armoede te vergelijken.
Iets doen. Ik moet iets doen- aan hier- maar ook aan mezelf. Ik moet iets doen.
Op elke straathoek omvallen van van verbazing.
Op elke straathoek. Niks is normaal.
Ik moet op elke straathoek omvallen van verbazing.
Als ik aan het einde van de dag druk uit het raampje zwaai weet ik niet meer of ik het moeilijk of makkelijk vind om weg te gaan.
In de spiegel van mijn ogen staat mijn thuis geschreven.
De kou, regen, donkere decemberdagen,
mijn witte leren stoel, zwarte bank en de donkerblauwe tafel.
Wereldkampioen roken die een sigaret uit mijn pakje pakt. En de rook de koude lucht in blaast.
Thuis is waar -vanuit hier gezien- de dingen automatisch gaan.
Als ik tel, kom ik pas op de zoveelste dag.
Al.
Als dagen verstrijken komt vertrek dichterbij.
Iets waar ik bij het boeken niet over had nagedacht.
Hier,
hoofd, ziel en ogen trekken dezelfde lijn.
Ver weg en vlak bij mij
de ene en de andere zijde.
Precies raak
of precies ernaast.
De tijd is het.
Niet de plaats.