Sonja wist nu hoe het was
om er met haar neus bovenop te zitten,
te genieten
van de schoonheid
en het overzicht te missen
waar ze ooit contact mee had.
Sonja (2)
To get there
Op donderdag doen we er dertien uur over om van Düsseldorf naar Krakau te komen, en van Krakau naar Wroclaw. Hoewel het op de kaart een kippeneindje is en het vliegtuig ons in een uurtje de grens over brengt, blijken in Polen zelf de afstanden groter en de kilometers langer.
Polen. De gedachte aan de verhalen erover alleen al, zorgt ervoor dat ik mijn laptop in zijn skipakje stevig tegen mij aanklem. Polen. Wat moet je in hemelsnaam in Polen. Het land aan de andere kant van Het Gordijn, het land met hekken en prikkeldraad. Narigheid. Zo denk ik over Polen. Voor je het weet is je hebben en houden weg. Terwijl het er vast ook heel fleurig en fijn kan zijn.
In ieder geval zit ik in de bus van Krakau naar Wroclaw en links van mij zit een Poolse man. Hij draagt dure survival-kleding, en maakt een Sudoku. Hij heeft een hip maar warm mutsje op zijn kale hoofd en kijkt met ronde blauwe pretogen in het rond. Grote stevige (dure) wandelschoenen beschermen hem tegen de kou. Ik vind hem geen echte Pool.
De man achter mij daarentegen, in legerbroek met zacht-roze kabeltrui en waterige ogen, dat is wél een echte Pool. Ik denk dat ik hem af en toe hoor grommen.
Ik ben gelukkig zonder vooroordelen op pad gegaan.
Zo toeren zij, ik, en een handje vol meer- en mindere- mate Polen over besneeuwde wegen door het koude land. Het asfalt is kapot, de bus en de sneeuw kraken, maar binnen is het warm. Langzaam dommel ik weg. Een knappe zanger met een gebroken hart fluistert nostalgische muziekjes in mijn oor.
De bus stopt. Aandachtig luister ik of ik iets hoor dat op Wroclaw of Breslau lijkt. Want zo heet ons eindpunt ook, Breslau. Maar we zijn er nog niet. Weer niet. Buiten ligt een man in de sneeuw zijn roes uit te slapen. Zo vriezen ‘s nachts regelmatig Polen dood. Zuipen zich klem, en gaan ergens op straat liggen. Dan red je de ochtend niet, bij twintig graden onder nul.
Gelukkig ben ik nuchter en goed voorbereid op pad gegaan. We rijden, we remmen en we glijden.
Negen uur later arriveren we waar we moeten zijn. Ik ben niet moe, maar ik heb wel het gevoel dat ik dat hele verrekte Polen heb bereisd.
In de kamer waar ik slaap staat de centrale verwarming vol aan. Het laatste waar ik aan denk, is dat ik in het Oostblok ben.
Guur, grauw en koud.
Ik slaap als een roos en de volgende dag heb ik het gevoel dat iemand met een koekenpan op mijn hoofd heeft geslagen.
Buiten is het licht, blauwe lucht geeft de vierkante, sombere gebouwen een vleugje glans. Tussen de flats staan kerken en rijden duurdere auto’s dan ik had verwacht. Ze zijn vies. Door de modder en de sneeuw en het zout op de straten. Het vriest dat het kraakt. De zon doet pijn aan mijn ogen.
Koffie.
Ontbijt.
En dan een vergadering.
Na de vergadering vlieg ik weer terug naar huis. Als ik diezelfde avond friet eet op mijn eigen bank,
vraag ik me af
of ik het me nou heb verbeeld,
of dat het echt was.
Die dag en die nacht en die krakende kou.
Sonja
Sonja wilde weleens weten
of nee
een beter
antwoord was geweest.
Ze was
het wachten
nu wel
zat.
Hoewel
ze ook
hoopte
dat het anders was.
In dit geval.
..
Ik heb mijn ogen open
en ik slaap
als een roos.
Of nee ik droom.
En jij,
droom jij ook,
waar ben je
eigenlijk.
Kom
dan rijden we
de Waal over.
De brug
en terug.
Voorjaar
‘Hier, daar heb je het weer. Tik!’ De dromer houdt zijn vinger omhoog.
De denker kijkt op van zijn krant, zijn frons glijdt langzaam van zijn gezicht.
‘Wat?’
‘Dat tikje. Van het koffiezetapparaat. Ik heb me altijd afgevraagd waar dat vandaan komt. Ik vraag me dat al af sinds…nou ik weet niet eens hoe lang.’
‘Oh. Nou, ik weet niet.’ Zijn ogen en zijn voorhoofd speuren naar artikelen die hij interessant vindt.
‘Misschien al wel toen ik nog een kind was. En we nog in het dorp woonden. Hypocriet waren ze daar zeg. Poeh.’
De denker legt een stuk krant op de ontbijtbordjes. ‘In een dorp? Zo’n dorp waar je vader op klompen liep en je moeder Elly en Rikkert draaide?’
‘Ja, en op zaterdag moest ik altijd gebakjes halen, die de hond vervolgens van de salontafel at.’
De dromer neemt een slok koffie. Hij pakt een stuk krant.
‘En je vader dronk koffie. Bij die gebakjes.’
‘Hm. Koffie en gebak, veulentjes, pas gemaaid gras, en de buren bemoeiden zich met onze zaken. En dat tikje dus.’
‘En het was alle seizoenen voorjaar?’
‘Als je de herfst en de winter buiten beschouwing laat wel ja.’
Riekster moet zeggen dat ze het reteleuk vindt,
zo’n Zeroes top 1000 op 3FM.
Zo in ‘r eentje
op ‘r werk.
Zo op vrijdag.
Och, en nu komt deze.
Och, en nu die.
Och, fijn.