‘Ik wil niet met Beste worden aangesproken. Of Geachte.’ Ze trekt haar jas uit en gooit mijn witte wollen sjaal over de stoel. Ze heeft een mooi zwart jurkje aan, met bloemen erop. In dat jurkje loopt ze naar de koelkast, haalt er een fles wijn uit en schenkt een bel vol. ‘Jij?’ Ze houdt de fles omhoog.
Voor het gemak drink ik er eentje mee.
‘Ik bén onderhand mijn functie.’ Zegt ze. ‘Als ik vier minuten te laat ben zit twintig man mij aan te kijken, te wachten tot ik beslis wat er zal gebeuren. Ik haat fte’s.’
Ze neemt een slok, ze gaat zitten, slaat haar benen over elkaar en zegt: ‘Hoe is het met jou?’
En ik weet zeker dat ze het meent.

Stof en sneeuw

De mevrouw achter de balie had liever sneeuw, zegt ze. ‘Ik had liever sneeuw.’

Ik niet. Ik ben blij dat het regent als ik naar huis fiets. Er zit een slag in mijn wiel, een frisse wind waait in mijn gezicht.
Koud.
Koud maar fris.
Het fietsen gaat moeizaam, maar ik kom vooruit.
De druppels blijven op mijn jas liggen. Sommige rollen een beetje heen en weer. Voor- of achteruit. Een enkeling valt op de grond. Ze glinsteren een beetje.

‘Dat kon je tenminste zo afvegen’, zegt de mevrouw over de sneeuw.
‘Water smeer je alleen maar uit.’

Die

‘Dus die vriendin, die was er ook. Die. Nu zeg ik weer ‘die’.’ De dromer hangt met zijn hoofd een paar centimeter boven de bar. Hij heeft nog een laatste bier besteld, maar die staat er al een half uur.

‘Je wordt er niet persoonlijker op, inderdaad.’ De denker knikt, en kijkt naar de bar en het hoofd. Hij neemt een slok.

‘Die man, die ex, die vrouw, die tuthola, die andere ex, die vriendin. Ik kan wel door blijven gaan. Wat moeten wij eigenlijk met al die mensen?’ De dromer kijkt op.

‘En’, zegt de denker, ‘behalve dat het onpersoonlijk is, is het tijdelijk. En ook een beetje negatief. Die vriendin. Je praat erover alsof je er vanaf wilt, en het liefst zo snel mogelijk. Wie is het eigenlijk?’

…..

‘Hallo?’

‘Wat?’

‘Wie die vriendin is.’

‘Oh, dat kan onderhand iedereen zijn.’ De dromer heeft zijn hoofd op de bar gelegd.
Hij krijgt een aai.

‘Ben je moe?’

‘Ja.’

‘Zullen we gaan?’

Zonder wat te zeggen stemt hij toe.

De lovedoctor, de verwarming en het raam

‘Godverdomme dat had ik anders moeten doen.’ Met een zak appels en een loei van een boodschappentas staat de lovedoctor voor haar eigen voordeur. Ik doe open. Ze kan de tas niet meer optillen en sleept de boodschappen over de drempel naar de keuken. ‘Jezus wat is het hier warm.’
‘Lekker he? Ik dacht ik maak er hier lekker een sauna van. Hallo, wat een hoop boodschappen. Wat eten we?’
‘Ik dacht ik maak een lekkere pasta.’
‘Mmmm lekker.’
‘Hoe is het hier?’ In noodtempo pakt ze de boodschappentas uit. ‘Kijk, ik ga straks een appeltaart maken.’
‘Goed, ik heb even wat van je boeken doorgebladerd. Als ik dit soort dingen lees, wil ik altijd meteen weer een studie beginnen.’ Ik leg de boeken weer op de stapel.
‘Wacht maar tot je weer in een werkgroepje terechtkomt. Die mensen hebben hele andere ideeën over een studie dan jij.’
Ze snijdt de wortel, scheurt de basilicum en bakt de pijnboompitten. Haar jas ligt op het aanrechtblad. Ik hang in een stoel, aan de keukentafel. Als ik de stoel op twee poten wip, kan ik precies met mijn hoofd tegen het raam hangen.
‘Wil je een wijntje?’
‘Nee, doe maar niet.’
Ik ben moe, en ik vind het fijn dat ik er ben.
De lovedoctor kijkt op, en trekt de koelkast open. ‘Hier.’ Ze geeft me een knipoog en zet een glas Roosvicee voor mijn neus.
Met mijn hoofd tegen het raam kijk ik naar de kaarsen op de tafel.
Straks krijg ik appeltaart.

Riekster en de boeken

De afgelopen paar maanden kreeg ik vier boeken.
Eerst kreeg ik een boek over Enneagrammen. Daarna gaf iemand me een boek van Plint te leen. Enkele weken later kreeg ik hetzelfde Plintboek nog een keer maar nu van iemand anders (en nu om te houden).
En tot slot kreeg ik ‘Eten, Bidden, Beminnen’. Voor op reis.

Het paste precies.
De mensen pasten bij de boeken die ze gaven, en de boeken pasten bij een deel van mij. Inderdaad, een deel van mij, want het zou te zweverig worden om hier te zeggen dat ik vier boeken ‘ben’ -waarvan ook nog eens twee keer dezelfde. Maar als ik de vier exemplaren zo naast elkaar zie liggen, ach, dan moet ik toch glimlachen.

Die 496 pagina’s tekst over karaktertrekken, naast die glimmende zilveren bundel met de mooiste gedichtjes, teksten en plaatjes. Naast nog een keer die zilveren bundel, en dat weer naast het reisverhaal van de vrouw die in Italië, India en Indonesië naar….naar God -is het God?- op zoek gaat.
En vooral dat laatste boek, dat lees ik elke dag voordat ik ga slapen. Daar word ik rustig van.
Want als zij het kan, dan kan ik het ook.
De stappen nemen van het leven en ondanks alles,
wat je niet kan maar toch kan,
met één hand trots en lachend op je dijbeen slaan.

–
(En had u al op het filmpje hieronder geklikt?)