Twee meisjes lagen drie dagen in de Ardense zon

Twee meisjes lagen drie dagen in de Ardense zon en zagen daar zeker honderd kleuren groen.
De meeste van die honderd kleuren groen konden ze zien vanaf de heuvel waartegen hun huisje stond. De bomen, het gras, nog meer bomen en nog meer gras. Het huisje was blauw. Van hout, met een tuin met stoelen en een houten balkon.
Op dat houten balkon stond dit weekend een tafeltje met twee kopjes cappuccino en twee blokjes chocola. Daar zaten de twee meisjes in hun rieten stoelen met hun benen omhoog, een boek op schoot en de oogjes toe.
Het enige waar ze dit weekend voor hun stoel zijn uitgekomen, was om broodjes te bakken, een boek te pakken of om binnen verder te slapen.

En die ene keer dat ze een paardenbloem nodig hadden.

Na afstand komt

Ik wandelde en ik zong
en ik liep en dacht na
en ik floot
en tussen de vlinders dreven wolken, soms
en tussen het gras stond af en toe droog riet.

Ik kwam bij grenzen waar ik niet overheen ging. Niet. Omdat ik niet durfde. Of omdat ik het niet wilde. Of omdat daar stront aan de knikker was.
Ik kwam bij rivieren van geschiedenis die kolkten en ellende schreeuwden.
Meer het lawaai
dan de kracht van het water
belemmerde me de oversteek.
Als ik een omweg zocht botste ik
op rotsen die roerloos voor mij stonden.
En niet van plan waren om voor mij ook maar één stap opzij te gaan.
Ik was op pad en vaak vroeg ik me af wie er hier nou van de ratten besnuffeld was. Dan overwoog ik om me om te draaien. Terug naar wat ik had, al wist ik dat de terugweg niet mijn toekomst was.
Dan stopte ik, en stond ik stil en keek ik om. Ik mat dan hoe ver ik al was en ik telde op wat de afstand mij had gebracht.
En dan zag ik er weer heil in.
Ik zag in.
Ik ging weg en ik stootte mijn hoofd
en ik ging terug en ik stootte mijn hoofd
en ik zie in.
Na afstand komt de toewijding.

Werkvloer

‘Ik werk vandaag tot half vier en dan ga ik om vier uur sporten. Kun jij daarmee leven?’
‘Best.’
‘Zou je ook ‘s moeten doen.’
‘Wat?’
‘Zou je ook ‘s moeten doen, dikkie.’

Riekster mijmert nog even na

Op mijn gloednieuwe mountainbike doe ik er zestien minuten over om er te komen. En dan ben ik in het huis met het espresso-apparaat. Ik zet mijn fiets tegen de schutting, ik klop even op het raam, en dan sta ik in het huis met gehakt hout in de bijkeuken en een bijl naast de open haard. In de keuken staat een houten tafel, in de woonkamer staat er ook een en in de lichtblauwe koelkast ligt een blok ham naast een kilo Parmezaan.
Vanuit de keuken, vanuit de woonkamer en vanuit de slaapkamer kijk je uit over de uiterwaarden, en twintig meter daarna de Waal. Er varen boten voorbij. Sommige gaan naar het oosten, andere gaan naar het westen. Ze varen elkaar tegemoet en daarna varen ze weer weg.
Op tafel ligt de rode kater en in de mand de hond. Onder de kater de krant. Naast de hond een pantoffel.
Een vrouw zit met de bijl in de open haard te rommelen, want er komt teveel rook in de woonkamer. De glazen deuren die toegang geven tot het terras moeten open. Als ik ze naar de zijkant van de woonkamer schuif, zie ik nog chocola van vanmiddag op de stoelleuning liggen. Rook naar buiten, chocola naar binnen, en op het zes pits fornuis begin ik met de pannenkoeken met spek en kaas.
Toen we die pannenkoekenspullen net gingen kopen, bleek dat de Spar hier al om vier uur dichtgaat.
Ik glimlach.
“Dit komt aardig dicht in de buurt he?!” Roep ik naar de woonkamer.
Gehurkt draait ze zich naar mij. “Ik dacht er net aan!” roept zij.
We lachen.
De hond trekt een wenkbrauw omhoog, staat op, en komt vragend naast me staan.

Geert wil de gulden terug

Vooruit kijken Geert, vooruit kijken.