Het enige gras

Ze wist alleen
dat ze las
en schreef,
omdat
de gedrukte letter
zo echt was.
Leek.

Wij zijn er ook nog

Wij zijn er ook nog
Wij zijn met de meesten
Met mensen die snappen hoe je als vriend
Door de verschillen heen over de grenzen
Elkaar recht in de ogen kunt zien

Wist (so the story goes – part 4)

‘Zullen we eens proberen om vanavond nog een beetje inhoud te geven aan ons gesprek?’, vroeg hij op een avond aan haar.
‘Ja, laten we dat eens doen’, zei ze. Ze grinnikte een beetje. ‘Vraag maar wat.’

‘Geloof jij in het lot?’
‘Nee’, zei ze. Ze gaf het antwoord zo snel dat hij onmiddellijk geloofde dat ze daar al heel lang en uitgebreid over had nagedacht. Of, dat ze misschien geen zin had in dit gesprek.
‘Oh, oké.’
‘Alhoewel’, vervolgde ze ‘ik geloof dat elk moment het lot is. En dan geloof ik in de kracht van eigen daden.’
‘Je moet er zelf iets mee doen?’
‘Ja.’
‘Hm.’ Hij trok een frons. ‘Maar dan is het niet het lot, want met het lot kun je niets meer doen.’
Het bleef stil. Hij nam een slok van zijn wijn en zij van haar bier. Ze knikten allebei een beetje.
‘Dus als ik een nare ervaring opdoe, dan had ik daar wat aan kunnen doen?’
‘Niet per sé. Maar ik denk wel dat er vervolgens iets te doen valt aan hoe je ermee omgaat.’
‘Hm.’ Hij knikte peinzend. ‘Dan zijn in jouw ogen alle mensen hetzelfde, dus.’
‘Ho. Dit gesprek gaat me verdacht snel.’ Ze keek hem aan. ‘Is er iets wat je van mij horen wil?’ Ze leunde achterover en nam nog een slok van haar bier. Haar hand legde ze naast het viltje op het kleine tafeltje waar ze aan zaten.

‘Ik denk dat ik het tegendeel wil horen van wat ik al wist.’
‘Van mij?’
‘Ja.’
Ze zuchtte. ‘Halleluja.’ Ze zuchtte nog eens en toen begon ze te grinniken. ‘Halleluja’, zei ze nog eens. ‘Halleluja, met jou valt echt niks te beginnen.’ Ze keek hem aan en ze zag zichzelf in de poppetjes van zijn ogen. Ze boog naar hem toe en keek nog eens. ‘Hoi’, zei ze. Ze kwam nog dichterbij en hing nu op enkele centimeters afstand van zijn gezicht. ‘Halloooo’, zwaaide ze naar zijn ogen. Ze begon harder te grinniken. ‘Ik zie mezelf hè’, zei ze.
Hij keek droog.
‘Tuduuu, toet!’ stak ze nu haar tong uit. Ze grinnikte nog harder en schoot toen in de lach. Ze ging weer naar achteren hangen en nam een slok.

‘Dus je wilt het tegendeel horen van wat je al wist?’
‘Ja.’
‘Aha. Nou, in dat geval…’
Hij keek op.
‘In dat geval’, ze stak haar vinger op, ‘in dat geval, denk ik dat jij je vergist.’

Tijdloos

Eén biertje lag er in mijn koelkast toen ik vandaag om zes uur met een tas vol boodschappen thuiskwam. Precies goed. Toen ik het flesje zag wist ik meteen dat ik die ging delen met vriend T.
Vriend T. woont echter aan de andere kant van het land, dus plofte ik met de telefoon op de bank -flesje op de leuning ervan-, toetste het nummer in en maakte het flesje open. ‘Ik kom met jou telefonisch vrijdagmiddagborrelen’, zei ik meteen toen hij opnam. Dat vond hij leuk. We kletsten wat en settelden ons een beetje en na een hoop gemurmel over ditjes en datjes en de week stelde hij me Een Vraag.
‘Heb je nog nagedacht?’
Dat vond ik een goede vraag. Ik antwoordde dat ik deze week in mijn hoofd twee keuzes had gemaakt: Ik had besloten dat ik één ding wél ging doen, omdat ik dat wilde. En één ding ging ik niet doen, omdat ik dat niet wilde.
Vriend T. vond dat heel goed. Om mij te bevestigen in het goede van mijn keuzes, vertelde hij daarop een anekdote over iets soortgelijks. Ook omdat hij weet dat ik zijn anekdotes altijd heel leuk vind, trouwens. Ik zou u niet meer kunnen vertellen waar het allemaal over ging, maar de anekdote liep de mist in en het verhaal eindigde met ‘nou dat wil je niet hoor, Riekster!’. Binnen vijf minuten lag ik hikkend op de bank.

Vriend T. was niet de eerste deze week met wie ik over keuzes sprak. Eerder al vroeg iemand mij om drie slechte keuzes in mijn leven te noemen. ‘Nou, die heb ik wel paraat’, zei ik met een glimlach. Ik pakte uit met een verhaal van toen een aantal opeenvolgende keuzes in de liefde niet al te best hadden uitgepakt. Vervolgens kwam er iets met een domme verhuizing uit de oude doos en ik sloot af met de beschrijving van een oerlelijk duur kledingstuk. Opvallend, hoe je dan geneigd bent om je flaters te verpakken in een grap, om die grap vervolgens met grote omhalen en bijzondere overdrijvingen in tegenovergestelde vorm te vertellen. Kreten als ‘ik, naïeve flapdrol die ik was’ en zinnen als ‘je snapt wel dat dat in de vérste verte geen verkeerde keuze ging opleveren’ vlogen over de tafel. Mijn gesprekspartner trok haar gezicht maar in een bemoedigende plooi. Ik ging tenslotte toch een beetje met de billen bloot.
Toen moest ik drie goede keuzes van mezelf opnoemen. Die wist ik ook wel. Ik begon met een verhaal over dat ik tegen álle adviezen en scheve gezichten in had gedaan wat mijn hart me ingaf. Daarna volgde er wederom iets met een verhuizing -‘die verhuizing, dat was wél een goede stap’- en tot slot had ik iets gedaan wat ik helemaal niet durfde. Echt niet durfde. Écht. Niet.
Na elke goede keuze had ik de neiging om te zeggen dat het natuurlijk ook heel anders had kunnen uitpakken. Maar stiekem was ik gewoon trots. Trots op wat ik allemaal had geleerd en wat ik goed had gedaan. Trots op het feit dat ik überhaupt keuzes durf te maken. Want ik had het allemaal ook niet kunnen doen.
En niets doen is ook een keuze maken.
Vaak aan de passieve kant weliswaar, en het neigt vaak naar laf. Maar het is een keuze maken.
Want niets
is niet
altijd niets.
Een zwijgende bladzijde valt pas op als er al een boek geschreven is.

Dus het was vrijdag rond de klok van half zeven. De keuzes van die week waren goed. De anekdotes waren goed en we begrepen elkaar. Maar morgen. Als ik morgen iets anders kies, welk verschil zal dat dan maken? Daar hadden we geen antwoord op. En dus lachten we erom.
En toen was het bier op en had ik honger en T. ging sporten, dus hingen we op.
Het weekend was begonnen.

Schaal en fruit

Ze vroeg hoeveel hij van perziken hield op een schaal van ‘rot op met je perzik’ tot ‘kom hier met die perzik’.
‘Wat is dat nou weer voor vraag’, mopperde hij.
‘Rot op of kom hier?’ bleef ze erop hameren.
‘Zeven.’ Zei hij.
Dat was oké. Vond zij.
‘En kiwi en banaan?’
‘Veertien.’ Mompelde hij.

Zacht

‘Tsja. Je dan ook maar als een randdebiel gaan gedragen lijkt me ook geen optie.’ De Lovedoctor schenkt de glazen nog maar eens vol.
‘Nee. Dat leek mij ook geen optie.’ Ik friemel aan een stukje zalm. Er ligt niet zoveel sushi meer op het bord. We hebben al twee borden leeggegeten en nu liggen de miskleunen ons nog aan te kijken.
‘Maar…. eh….’ Met haar stokjes wappert ze een beetje in de lucht.
‘Ja.’
‘Hm.’
‘Ja.’
Ze zucht en gaat achterover hangen. Ze slaat haar ene been over het andere. Ze slikt de laatste zeewier door, spoelt die weg met Chardonnay en zet dan de zonnebril op die op de stoel naast haar ligt. ‘En je bent ne-gen-en-twin-tig. Nee. Dan komt het er niet meer van voor jou. Dan moet je maar bij ons komen wonen.’
‘In je hoofd of in je huis?’
‘In de schuur in de tuin. En ik moet je soep komen brengen tot het einde der dagen.’
Ik glimlach. In mijn ogen glinstert het effect van witte wijn. ‘En een extra deken voor de koude wintermaanden, graag.’
De lovedoctor kijkt naar mij en doet met haar vingers alsof ze me neerschiet. ‘Poef. Paniekerd.’
Ik glimlach. Ik leun achterover.
De toekomst neuriet zacht.