Die anderhalf uur dat ik mijn soort-van-dagboek-geval kwijt was, vroeg ik me af wie het ding kon hebben gestolen.
Ik had hem al maanden niet in mijn handen gehad -het is dan ook meer een inschuif-ding dan een boekje waar ik daadwerkelijk iets in schrijf- maar vandaag had ik hem na het wegwerken van een stapel administratie nodig om een aantal blaadjes tussen te prutsen die van meer persoonlijke aard waren. Blaadjes met lijntjes, waarop ik had zitten te krabbelen over hoe het met me ging. Blaadjes waarop ik op sommige dagen mijn hart luchtte, of waarop ik op kalme maandagavonden de balans opmaakte. U weet wel, van die blaadjes waarop je met een vulpen schrijft en die daarna in de film achter een vlinder aan het raam uitwaaien.
Mijn Blaadjes waaiden echter niet het raam uit. Mijn Blaadjes lagen tussen brieven over belgedrag en pensioenen en vanuit die onrustige administratiestapel schreeuwden ze dat ze inmiddels écht wel bij het verleden hoorden. En of ik in dat kader onderhand alsjeblieft iets met ze kon doen. Ja ik zou wel durven zeggen dat de Blaadjes joelden, nee beter nog, gílden om een verhuizing van het Nu naar het Toen.
En toch had ik steeds niet het gevoel dat ik daar iets mee moest doen. Totdat ik vandaag Delta Lloyd en T-Mobile naar hun eigen map had geperforeerd en de blaadjes me stil en naakt op tafel lagen aan te kijken. Het werd inderdaad wel eens tijd. Gepaste tijd.
En nu was dat verdomde boekje weg.
En nu was dat verdomde boekje weg.
Blaadjes
Kersentuin
Er was iets met een kersentuin en kersentaarten en thee.
Iets met theater en woorden die tekst tot beeld maakten.
En een bordje met een heel klein vorkje, waar de mon chou vanaf viel terwijl het hete water over het kopje klotste en ik op het schoteltje al snel een voetbad voor een walvis zag, terwijl voor mij een man met een zwaai zijn jas uittrok, waarop ik met thee en taart zo ver mogelijk naar achteren boog.
Na afloop
was er vuur en buiten
en wandelen naar rode wijn en
salade met geitenkaas en friet.
Er was iets met winter en herfst
en een geregisseerd grootmoedersgevoel.
Het vroeger van nu
op zondag
en ach
wat was het niet.
Riekster heeft 3 kaartjes Kiss of Life over …… SADE
Ik dacht altijd dat ze nooit meer zou optreden. De vrouw waarvan ik altijd riep dat ik ervoor naar Amerika zou reizen, als het zo uitkwam. Wat ik ook echt zou doen. Als het nodig was. Ik had nooit gedacht dat het er ooit toch van zou komen.
ZE KOMT. In ons eigen Ahoy.
Door het-zekere-voor-het-onzekere en zoveel-mogelijk, en beter-teveel-dan-te-weinig… heb ik nu 3 kaarten over.
Zitten, 3 plekken naast elkaar (niet naast mij, maar we kunnen natuurlijk wel naar elkaar zwaaien), natuurlijk mag u ze tegen kostprijs hebben. Ahoy, 23 mei 2011. Hebben?
Vreugdedansje!
Azië
Als ik de deur achter me dichtklap en over het binnenplaatsje naar mijn fiets wandel, lijkt het alsof ik in Azië ben. Ik heb het gevoel al eerder gehad deze week. En vorige week ookal.
Ik geloof niet dat het te maken heeft met een drang naar vakantie of reizen. Of een behoefte aan gedoe, of weg-zijn in haar algemeenheid. Het heeft ook niet te maken met een zucht naar mooie verleden tijden.
Ik weet niet wat het is.
Het zit hem niet in het licht.
Het zit hem niet in de geur.
Niet in de luwte van de lucht,
het niets in niets
de temperatuur of de sfeer.
Het is iets wat op mijn huid prikt.
Zoals de tong van onze oude hond als-ie vroeger over mijn hand likte.
Spellen
‘Goedemorgen (bla bla naam van werk) mét Pascale!’ Als een zonnetje neemt mijn collega de telefoon al ruim voor negen uur op.
‘…. .’ Aan de andere kant wordt iets gezegd.
‘Dat ben ik.’
‘ ……’
‘Ja. Ja. Dat is goed. Kunt u mij dat dan even mailen?’
‘ …… ‘
‘Pascale.’
‘……’
‘Nee, Pascale. Met een -s en een -c en een -e op het einde.’
‘……’
‘Heeft u dat?’
‘…….’
‘Nee.’
‘…….’
‘Nee. Nee, Pas Cá Le. Met een -e.’
……..’
‘Ja. Jaa, maar ik ben een vrouw hè. Ja, ik weet het.’
‘……..’
‘Hi hi hi hi hi. Nou he.’
‘………’
‘Ja dat wordt dan uh, Priscilla – Ashley – Shirly – Cheryl – Allegondra – Laetitia, en dan dus nog die -e van Esmeralda erachteraan.’
‘……’
‘Ja? Ja lollig hè, doe ik altijd! U komt er zo wel uit? Mooi! Tot ziens!’
Ze klapt de hoorn op de telefoon en als ze me aankijkt stopt ze een Rolo in haar mond.
De dag moet dan nog beginnen.
De wind
Hoewel ik al om half elf gepoetst en gestreken in bed lig, moet ik toch wakker worden van de wekker om tien uur. Het is zondag en ik ben nog steeds maar half uitgeslapen, maar langer in de frisse stilte van de ochtend liggen zit er vandaag niet in; ik moet op pad.
Letterlijk, het doel is vandaag namelijk Amsterdam. Maar ook figuurlijk, want als wij na twee uur rijden over diverse snel- en omwegen nog steeds voor Utrecht in de file staan, besluiten we van ellende maar dat het ook veel lekkerder praat als je het verkeer niet als prioriteit nummer een hoeft te beschouwen. En dus besluiten we met een ronkende motor en een voet op de koppeling in de warme najaarszon onszelf maar eens te onderwerpen aan een gesprek over… onszelf.
‘Zit je op het land of in een wak?’
‘Uhm, land.’
‘Moet je daar over nadenken?’
‘Nou… ik dacht even dat andere mensen misschien zouden zeggen dat ik in een wak zit, maar ik zit op het land.’
‘Aha. En zit je al lang op het land?’
‘Een tijdje. Al denk ik dat ik ook wel een aardige periode met mijn enkels in de blubber heb gestaan.’
‘Hosen.’
‘Hosen ja. Haha.’
‘En nu ben je uitgehoost.’
‘Ha. Ja. Nu zit ik op het land. Misschien wel op een bescheiden terp zelfs, of een dijk ofzo, maar dat weet ik even niet zeker. Want dat is wel veel. Vanuit de blubber nu ineens op een terp of een dijk zitten.’
‘Tja. Voor je het weet zit je weer in de wind. En wie weet waar die naartoe gaat.’
Ik moet glimlachen. Ik zie het voor me, mijn haar wapperend in de wind terwijl ik op een terp zit. Als een te groot poppetje op een te kleine heuvel in een kindertekening. ‘Nou ja, als het een frisse wind is geloof ik niet dat ik het erg vind. Sterker nog, ik denk dat ik erin zit. Of het nou op een terp of in een grasveld is.’
“En weet je ook waar die naartoe gaat dan?’
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Nee. Het waait hier naar twee kanten.’