Jut: ‘Dus we zijn gaan uiteten bij Lodewijk.’
Ik: ”We zijn gaan uiteten’ kan niet.’
Jut: ‘Hoezo niet?’
stilte
Ik: ‘Je kunt niet ‘zijn’ en dan ‘gaan’ en dan een werkwoord, denk ik.’
Jut kijkt me aan. ‘Jawel hoor, je zegt toch ook we zijn gaan winkelen? we zijn gaan voetballen, we zijn gaan zwemmen. We zijn gaan uiteten.’
‘Ja. Maar toch kan het niet. Je hebt trouwens een leuk leven.’
stilte
Ik: ‘Ik denk dat uiteten geen werkwoord is.’
Jut: ‘Jawel hoor.’
Ik: ‘Nee hoor, ik uiteet, jij uiteet, wij uiteten?”
Jut: ‘Ik eet uit, jij eet uit, wij eten uit.’
Ik: ‘Nee dat kan niet. Ik ben gaan eten uit? Dan wordt het al snel ik ben uitgegeten. Hihi.’
stilte
Ik: ‘Het is gáán uiteten.’
Jut: ‘Frons?’
Ik: ‘Uiteten gáán. Je kunt niet zijngaan. Ja, dat is het.’
Jut: ‘Nee hoor. Dat is het niet.’
Ik: ‘Wat is het dan wel?’
Jut: ‘Leuk he, dat ik je die moeilijke kwesties voorleg.’
Ik: ‘Leuk? Wat is het antwoord dan?’
Jut: ‘Ik weet het niet.’
Ik: ‘Je bent taalkundige!’
Jut: ‘Ik weet het niet. Maar Lodewijk was fantastisch.’
