Lachen met Wenen

We gaan op uitje. Met het oud-huis, met z’n negenen in een busje voor driehonderd Euro en dertig bolletjes met kaas en pakjes jus en appelsap.

‘Nu moeten we ineens grappen maken over Oostenrijk.’
‘Poeh.’
‘In het Vlaams was nog wel te doen.’
‘ Ja. Ik ken überhaupt maar één woord Duits.’

Snapt u hem? Ja? Ik deed er drie keer over. Ik zeg: Met je oud-huis naar Wenen is fijn, fijn (en dubbelfijn)!

XX

Ik weet nog dat ik niet wist wat ik hoorde, die eerste keer.
Ik wist niet wat me overkwam. Zo mooi vond ik het nummer dat ze mij op haar iPod liet horen.
Het voelde als een eerste ontmoeting met iemand, met wie je daarna niet meer zonder kan.
Maar was het het nummer, of het één dat wij waren via het snoer in onze oren?
Prachtig vond ik het, in ieder geval.
Dit keer werd alles niet weer gewoon.
En als tevoren.

Ik zag hem licht terugdeinzen

In de lucht hingen klappen.
Ze droegen een witte vlag, die iedereen goed kon zien.
Hij zag ze komen,
ze bleven hangen.
Onder druk gevangen,
en weer vrij.
In stilte incasseerde hij.

En het is, dromen

Ik mis
Ik mis
Wat jij niet mist
Als jij het wist
Als jij het wist
Zou je dan bij me komen?

Stierlijk en saai

Bureau toezicht, de politie en de rest van het ambtenarenbestand vervelen zich zo stierlijk, dat ze van gekkigheid geparkeerde fietsen uit de daarvoor bestemde stallingen halen.
Ook de mijne.
Ik heb mijzelf vandaag van mijn meest gefrustreerde ik-ben-onterecht-op-de-bon-geslingerd-kant gezien.

Na eerst drie politie-agenten stuk voor stuk te beledigen door hardop te roepen dat ze toch allemaal maar ambtenaren waren, toen de mensen die mijn stalen ros in hun bus hadden gezet uit te kafferen, en daarna de petjes van bureau toezicht in hun kraag te hebben gevat, bleek het wonderlijkste van het wonderlijkste: Het was niemands schuld.
En als ik iets te klagen had, dan moest ik bij de burgemeester zijn.
Terwijl Petje Toezicht mij dit in alle kalmte stond uit te leggen -en ik hard naar hem terugschreeuwde dat hij toch ook zelf na kon denken- erkende hij dat hij persoonlijk voor gezorgd had dat mijn fiets weg was door het rood-witte label aan mijn stuur te hangen. En toch was het niet zijn schuld. Helaas. En hij haalde zijn schouders op.

En terwijl ik me daar stond af te vragen waar ik in deze stad met groen-rode gemeenteraad mijn woede zou gaan afleveren, zie ik drie meter verderop een Gazelle tegen het Kruidvatraam staan.
En geen mens die er op let.
Nijmegen.

Op eigen grond staan

Vanuit zijn eigen tuintje wees hij naar het gras bij de ander.
De grond en de groene sprieten lagen net niet recht.
Het grint op zijn eigen pad was goed neergelegd.
Hij hoefde niets te veranderen.
Hij deed het lang niet slecht.