De mooiste mensen

Als de mooie dame een baan wilde, dan kreeg ze die. Als ze een mens wilde hebben ook.
De mooie dame lachte dan en kletste dan, en dan maakte ze een goede grap.
‘Dat is goed!’ en ‘inderdaad’. Zeiden de mensen en de banen daarna.
De mooie dame kreeg alles voor elkaar.

De wereld om haar heen bewonderde hoe ze dat deed.
Het zag er prachtig uit,
aan de buitenkant.
Volmaakt.
Helaas was de helft ervan niet waar.
Maar de mooie dame was charmant,
en die charme verborg haar binnenkant.

Toen het aan het licht kwam,
dachten de mensen
ahaa dus zo moet ik dat doen.
De halve waarheid, en net niet helemaal.
Er bij lachen, zodat je er mee wegkomt, later.
En als het gepast is, laat je een traan.
Dan bereik je nog eens wat.
Zo ga ik me ook gedragen.

De mensen begonnen.
Kletsten wat, lachten wat, snikten af en toe.
Kregen gedoe,
gaven gezwets en gezwam.
Lulden wat raak
en logen nog vaker.
Ze boden niet-gemeende excuses aan,
en wisten zich er aardig uit te draaien.

De verstandigen,
die liever eerlijk waren
zagen ze komen
en zagen ze weer gaan.
Bleven eenzaam aan de zijlijn staan.
Ver van
de opgeklommen praatjesmakers.

Ver van
de mooiste mensen.
In het mooiste dorp van Nederland.

Zonnetje (en roken op het terras)

‘Ik was eigenlijk altijd haar zonnetje
als ze ‘s ochtends mopperig was.
Rommelig
of als het niet lukte met koken.’

Rood-wit rood-wit rood-wit rood-wit

‘Hallooo’ roept de blinde man die bij de kassa achter mij komt staan.
‘Goedemiddag’ zegt de cassière, en ik zeg hoi.
Shit. Ik moet de melk en de rest van mijn boodschappen apart afrekenen, maar ik weet niet hoe ik dat die blinde man duidelijk moet maken. Voor je het weet staat hij mijn brood en maaltijdsalade af te rekenen, of wandelt hij over me heen terwijl ik nog bij het pinapparaat sta.
‘Deze reken ik eerst af!’ Roep ik tegen de cassière.
Alsof de blinde man doof is.
Ik kijk naar hem.
‘Er komt nog meer hoor’, zeg ik.
‘Oké!’ roept de blinde man. Met zijn oog zit hij inmiddels in een zakje aardappeltjes, om te zien wat hij in zijn handen heeft. Tussen die zes blikjes bier lijkt me dat niet moeilijk te herkennen. Maar wie ben ik, om daar een slechte grap over te maken.
Heb je nog zo’n balkje neergelegd? Vraagt hij mij.
‘Ja, hier ligt ie.’ Zeg ik.
‘Als je veel hebt he’ zegt ie, ‘mag ik dan anders even voor?’

Nou ik dacht het toch even lekker niet.

Ogen dicht en mond open

Of nee
andersom.

Volle wang,
bol hoofd
en de vraag of dit oranje is.
Ik zie niets anders,
dan wier.
En oranje dan.

Flabben en schuppen,
glas tegen je lip.
Vast in de hoek die een cirkel is.

Ogen dicht en mond open
oh nee andersom.

In een kleine kom lijk je groter.

Erwin

‘Schenk ‘m nog maar ‘s vol, Erwin’,
spoorden we de barman aan. Vanavond mocht hij ons geen moment met lege bierviltjes alleen laten.
Hij lachte.
Hij heette Bart, de barman. Maar vanavond niet. Want een Erwin
konden wij beter om onze vinger winden dan een Bart.
En wij hadden een Erwin nodig die ons volle glazen inspiratie gaf.
Inspiratie over het nu en later en alleen en samen.

Elke druppel schreven we op
in een zilveren schrift dat ik bij me had.
En ook elke slok.

Wat wij deden, vond hij goed.
Wij zelf vonden het nog beter, maar dat had hij niet zo in de gaten.

Eind naar start

Vaak heb ik gedacht dat er een moment kwam.
Een moment waarop ik had gewacht
misschien zonder dat ik het wist,
maar stiekem
toch.

Het kwam.
Alleen niet
zoals ik het voor me had gezien.

Het loopt altijd anders.

Het

loopt
(altijd)
(anders)
.