So the story goes (part 3)

Ze stond met haar rug naar hem toe, maar hij herkende haar meteen.
Hij zou haar rug nog uit duizenden herkennen. Uit miljoenen, uit ontelbare momenten, al had ze langer haar, nu.
Al vielen haar krullen anders over haar schouders nu, en al was alles anders dan het ooit was geweest.

Ze praatte met iemand.
Aan haar houding kon hij zien dat ze met beide benen op de grond stond. Dat ze was waar ze was, dat ze met haar gedachten geen moment afweek van het gesprek. Ze praatte met iemand die in de put zat, dat kon hij zien.
Ze zei tegen die ander dat hij het moest laten, dat het de moeite niet was en dat het altijd wel weer een keertje goed kwam.
Want zo was ze.
Altijd helpen.
Ze was rustig maar niet passief.
Ze had overzicht en bewaarde haar evenwicht.
Ze raakte hem even aan. ‘Gaat het?’
Het ging.

Hij kon het niet zien, maar in haar ogen moest nu de blik verschijnen die hij vroeger bij haar zag.
De blik voordat hij ging.

Zes

Een paar weken geleden sprak ik met een vrouw die zei dat ze in haar vrije tijd het liefst spelletjes speelde. Maar ze kon niet tegen haar verlies, vertelde ze er meteen achteraan. ‘Welk spelletje dan?’, vroeg ik, nieuwsgierig geworden.

‘Oh dat maakt niet uit’, glimlachte ze. ‘Zolang het maar een spelletje is. En zo lang ik maar win.’
Ik keek haar onderzoekend aan. Door mijn hoofd ging een lijstje van Pesten, Backgammon, Supermario, Weerwolven en Triviant. ‘Nou vooruit’, vervolgde ze. ‘Het liefst speel ik Mens erger je niet.’

Mens erger je niet? schreeuwden mijn gedachten het uit, Mens erger je niet?! Maar ik hield wijselijk mijn mond. De stilte stelde mijn vraag van het waarom.

Ze grinnikte en draaide wat op haar flip-flops heen en weer. Toen keek ze me aan. ‘Bij zes kun je altijd opnieuw achter iemand aan.’

De lovedoctor is terug

Dan belt ze, en dan zegt ze: ‘Ga je mee koffie drinken?’

Hoe..m..m..p

‘En moeten deze twee dingen dan naar elkaar toe?’

‘Ja. Gewoon duwen.’

‘Humm grmmm, hoeeehelp hoemmm.. JÉZUS!’

‘Misschien moet er een gewichtje af.’

‘Ja, er moet zeker een gewichtje af. Hiero.’ Ze wijst naar haar dij. Ze lacht.

Dans me

‘En jij dan?’

‘Ik? Ik denk dat ik plots, op onnatuurlijke wijze om het leven kom.’ De Dromer stopt met wandelen en kijkt over de reling, een boot vaart onder de brug door.

‘Onnatuurlijk. Hoe onnatuurlijk dan? Op welke wijze?’

‘Nou via een een ongeluk, of een windhoos of een ware orkaan. Of toevallig een keer op reis, dat ik uiteindelijk toch een keer in de verkeerde taxi stap. Zoiets.’ De Dromer hangt over een spijl. De enorme boot vaart nog steeds onder de brug door. Het is een joekel en de lijnen lijken scheef te gaan. Hij wordt er duizelig van. ‘Weet je dat lopen in Vlaanderen rennen is, en dat wandelen lopen is?’

De Denker zucht. ‘Waar komt dit nou toch ineens vandaan.’ De wind waait in zijn gezicht. Zijn gezicht is nat, het miezert een beetje. Hij kijkt naar links, waar de Dromer staat.

‘Oh, gewoon. Dat hoorde ik ergens. Hey, weet je wat ik zie?’

‘Wat zie je?’ Het waait.

‘Er staat een matroos op het dek.’

‘Waar.’

‘Daar.’ De Dromer wijst.

‘Ja.
Ik zie ‘m. Een matroos.’

‘Mooi,’ zegt de Dromer. ‘Mooi, matrozen zijn zo wijs als het water.’

De Denker zucht. ‘De kapiteinen van later. Kom, we gaan terug.’ Hij pakt de Dromer bij zijn arm. ‘Is naar huis goed?’

‘Naar huis is goed.’