Nu en door elkaar
Het was in Berlijn
en ik werd er om mijn oren geslagen.
Happen verleden die met rechte rug in het heden staan,
been naast been, voet naast voet
en door elkaar.
De brokken en de stukken,
het gekletter en het geschreeuw,
dat wat weg is leeft.
Er lijkt op de muren geschreven
dat je elke meter vol mag tekenen of verplaatsen,
in pogingen om te weten wat iedereen al weet,
te zeggen wat er al jaren staat
en blijft.
Nog een keer.
Te zeggen wat iedereen al weet,
in Berlijn.
Het gebeurt
hier en daar en overal en door elkaar,
nog meer en nog een keer.
Zoveel
dat het zichzelf niet kan meten.
——
Vooruitemaar…
Riekster bij Impa op vakantie
Impa is op vakantie en Riekster mag vandaag een dagje op haar weblog passen. En dat voelt ook als op vakantie!
Leuk, is dat. Héél leuk!
Klik naar Impa!
Van westnaaroost-Berlijn
‘Riekster, wist jij dat dit beeld hier stond?’, vroeg een oud-collega in het café mij vandaag. Hij hield een Mariabeeld in zijn handen.
‘Ja, stond die niet daar?’, ik wees naar de hoek naast de spiegel.
‘Ja, daar stond-ie. Hm, gek. Nooit gezien. Het is wel een mooie.’ Hij bekeek het beeld eens goed. ‘Kijk, met dat Jezusje zo.’
‘Soms moet je dingen uit hun context halen om ze goed te kunnen zien’, zei ik.
Hij knikte.
Ik hield mijn boek in mijn handen. Ik keek naar de kaft. Wolken boven Berlijn.
Hm.
‘Wat zit je te denken?’ vroeg hij me.
‘Oh, over dat uit hun context halen. Om ze goed te kunnen zien.’ Ik keek naar mijn horloge. Oost en west. Hoe zou het er zijn?
Ik keek naar de kaft van het boek.
Context.
Het Klein orkest.
‘Morgen ga ik naar Berlijn.’
Riekster 4 jaar
Toen ik in 2006 met RIEKSTER begon wist ik zeker dat ik dit niet wilde. Ik kreeg de site in mijn maag gesplitst met de opdracht ‘probeer het maar een jaartje’. ‘Ja hallo!’ riep ik. En toen was het ineens 2010.
De vier jaren dat ik schreef zat ik bijna altijd op dezelfde plek. Mijn God, wat heb ik veel op deze stoel aan deze tafel gezeten. Met een voet op de stoel naast me, vaak met thee, regelmatig met een wijntje, vaak met een glimlach, soms ernstig, met een frons op mijn voorhoofd. ‘Godsamme, dit is het niet’, dacht ik dan. Lange tijd dacht ik daarom dat het noodzakelijk was om een brandende sigaret in de asbak binnen handbereik te hebben en als ik het dan even niet wist, rookte ik ‘m op. Soms, als ik het al rokend ineens wél wist, typte ik snel met die brandende sigaret nog in mijn mond. Heel ordinair, maar meestal schreef ik alleen, dus niemand die het zag. Al zat er soms iemand glimlachend op de bank naar mij te kijken als ik ‘och wat mooi’ mompelde. Gelukkig ben ik inmiddels gewend aan schrijven met frisse longen en schone lucht.
Ik schrijf beter zonder sigaretten dan met enkele wijntjes teveel op. Heel incidenteel moest ik de volgende ochtend snel een logje weer verwijderen en dan gauw terug naar het katerige bed.
De afgelopen vier jaren heb ik mij vaak verwonderd en vaak droomde ik weg. Vaak keek ik naar het plafond zonder er iets te zien en toch iets te vinden. Er zijn enkele mensen die voor inspiratie recht uit het hart zorgden en ze wisten dat vaak niet, maar soms ook wel. Er kwamen lezers bij, er kwamen opdrachtgevers om de hoek kijken en plots was daar een tijdschrift. Ik werd er net zo trots als zenuwachtig van.
De grenzen tussen woord en beeld, denken en dromen en fictie en privé motiveren mij. Het liefst zo grijs mogelijk, het liefst zo mooi mogelijk, het liefst ineens heel duidelijk, het liefst onverwacht. Het liefst, het liefst.
Het liefst van de vier naar vijf. Het liefst naar de tien.
Ik ben op weg geholpen, en de beweging blijft.
Schrijven is
mij
lief.