Rotterfijn

We fietsten eerst langs het huis dat hij had gekocht; het huis aan de tuin onder de wolken aan een straat met keien. Toen fietsten we langs een school en nog een school en bomen en aardig wat boten. We kwamen langs het cafeetje van Gerrie en Toos. De gordijnen bij Gerrie en Toos waren gesloten. Ernaast zat de Funky Lunch. Met heldere ramen en frisse, groene kozijnen.
Achter de frisse, groene kozijnen stonden gebouwen die naar de lucht reikten. ‘Kijk’, wij zagen ze en wezen er even naar en fietsten door. Een paadje op en een weggetje af, over een bruggetje en toen door nat gras een stukje tegen de richting in. Fiets in de hand, schoenen in de blub. Links en rechts van ons raasde het verkeer voorbij. ‘Woehoe’, dacht ik. Wind en nostalgie en lucht en vrijheid suisden door mijn hoofd.

Terug op het fietspad reden we tegen een agente aan. ‘Laten we hier dan maar keurig wachten he’ zei mijn vriend tegen de agente bij het rode stoplicht.
‘Ach, daar ben ik hier niet voor hoor’, stelde ze ons gerust. Ze keek even naar onze fietsen en Vriends modderige schoenen en toen weer terug naar de verte.
De agente had iets belangrijkers te doen. Toen het groen werd zeiden we gedag en fietsten we verder tot het begon te regenen.
‘En?’, vroeg hij. ‘Hoe vind je het?’

Ik zag de wolken voorbij razen en dacht aan de brug straks, op mijn weg terug. De skyline bij het uitrijden van de stad en een uur later weer een brug.
‘En?’, vroeg hij. ‘Vind je het wat?’
Ik voelde de frisse lucht. En ik zei hem dat als hij bezig was met een missie om mij naar Rotterdam te lokken,
dat hij dan goed op weg was, sterker nog,
dat hij die dan bijna had volbracht.

Riekster heeft de cd van Caro Emerald geleend en rijdt nu een rondje door Nederland

Ik ken de jongen die afgelopen zomer voor Caro haar broodjes smeerde, toen ze moest optreden tijdens de Nijmeegse zomerfeesten. Hij had tussen haar broodje een papiertje gedaan waarop hij had geschreven dat zijn vriendin haar zo leuk vond: ‘Hoi Caro, mijn vriendin vindt jou heel leuk. Groetjes, de broodjessmeerder.’ Daaronder schreef hij haar e-mailadres en hij stopte het papiertje tussen haar kaas en haar tomaat.
Hallo?!
Zo’n kans, en dan gaat die Sufferd het e-mailadres van zijn vriendin tussen dat broodje doen, terwijl IK eenzaam en alleen hier ben. Hier! Ik! Eenzaam en Alleen!
Wat een flapdrol.
Wat een oelewapper.
Wat een idiot.
Natuurlijk heeft Caro nooit op het briefje over  het e-mailadres van de bezette vriendin van de even zo bezette broodjessmeerder gereageerd. Waarom zou ze dat ook doen.
Sufferd.

Dus nu heeft ze het nooit geweten.
Caro.
En dus leen ik haar cd en rijd ik een rondje door Nederland. Hoofdschuddend en met een glimlach van twaalf naar een, naar twaalf en weer terug.
Een rondje van wat Caro met je doet.
Een knipoog naar vinyl en dat sepia-gevoel.
En als ik haar misschien tóch in het echt tegenkom; een briefje in haar broodje als het moet.

*Tumta tumta tuutie tuu taa, …toenk toenk poeink poeink tuut ta..*

Riekster en een persoonlijke noot

Het leven scheurt vooruit en terwijl ik er met piepende banden achteraan probeer te scheuren, spartelt er een eendje in de vijver. Terwijl ik het stuur probeer recht te houden, kijk ik achterom. Ik wil zien wat er gebeurt. Spartelt of verzuipt daar nou een eendje in de vijver? Het is een gele en hij beweegt, maar in een flits zou je ook kunnen denken dat hij van plastic is.
Maar dat is-ie niet. Of heb ik het niet goed gezien? Ik kijk nog eens in de spiegel maar ik kan het niet goed zien.

Als het eendje inderdaad echt is, en het ligt te spartelen én ik wil het redden, dan moet ik remmen. Dan moet ik terugschakelen naar een lagere versnelling, nog harder remmen en tot stilstand komen. Vervolgens moet ik de hele boel in zijn achteruit zetten, en dan rijden. Achteruit rijden.
Als ik dat dan heb gedaan en vervolgens door de voorruit kijk, is het leven inmiddels achter meerdere bochten, bomen, wegen en grasveldjes met bloemetjes verdwenen. Want zo gaat het toch? En dan is die eend nog niet eens gered. Want ik ben nog niet eens uitgestapt en ik heb nog niet in de modder gestaan om dat beest aan zijn gele vleugeltjes op te tillen en rillend in de binnenzak van mijn jas te stoppen. Waar hij het hopelijk warm krijgt. Hij heeft dan vast een pootje gebroken. En dat pootje kan ik misschien wel maken.

En dan zul je straks zien dat dat beest gewoon van plastic is.

Terwijl ik er over nadenk, scheur ik door, achter de belofte van het leven aan. Een leven waarin ik graag naar grasveldjes met bloemetjes kijk, naar mooie ogen dwaal en verdrink in eerlijke verhalen en waar ik me probeer te onttrekken aan gele eendjes die me een loer proberen te draaien. Eendjes die van plastic zijn. Eendjes die zich half dood houden, maar woei, als je één vleugeltje aanraakt, dan blijken ze springlevend te zijn. Rotzakjes-eendjes, zeg maar.
Toch wil ik dat echte gele eendje met het gebroken pootje ook niet zomaar dood laten gaan.

Riekster, RIEKSTER-deze-site, heeft iets met zo’n eendje te maken.
Ik weet niet wat het is met deze look, maar iets klopt er niet. Maar ik weet dat het niet is wat ik zoek. Wat ik wel zoek, dat weet ik ook niet. Nou ja, ik weet het wel, maar ik weet het pas als ik het zie. En ik weet dat u ook over uw schouder naar die oude Riekstersite met die bruine achtergrond en die witte vlakjes en die groene letters en daarboven die bloemetjes terugblikt. Die site waar het uitlijnen altijd een ramp was en daardoor haar charme had.
Tegelijkertijd weet ik ook – gebroken pootje of niet- dat ik niet in de achteruit moet. Ik wil blijven rijden. Ik kan ook hiér schrijven. En daaraan wennen is mij al een beetje gelukt. Want in de basis klopt dit, ik voel het. Maar er ligt een strak plan voor het ontwerpen van een lay-out waarin Riekster écht RIEKSTER is.

In de tussentijd,
blijf ik hier wel even wonen.
Op deze blog staat rechtsboven op de kast
een groen fotolijstje over reizen.
Goede reis is nu hier,
Riekster wil geen honderdtwintigduizend kilometer oost
en ook geen 300 kilometer naar het noorden.
Dat hoeft ook niet, want deze blog komt uit de ziel.
Dat zit ‘m vooral in de woorden.

De Lovedoctor houdt van deel een en twee

De Lovedoctor heeft soep gemaakt voor vanavond. Ze heeft de groenten gesneden en de bouillon gemaakt en de verse kruiden op de houten snijplank geknipt. De kruiden liggen klaar voor ‘op het laatst’ en terwijl ze wachten staat de pan op het vuur en zet de Lovedoctor een fles wijn op tafel. Tussen haar vingers bungelen twee glazen. Die schuift ze bij de wijn. Een zakje met toastjes dat met een randje tussen haar tanden bungelt laat ze boven de bank naar beneden vallen, op mijn schoot. De kaasjes en de tapenade staan er al,  op een grote schaal met bloemetjes erop. Roze met lichtgroene. Het mesje en het lepeltje voor de kaasjes en de tapenade liggen nog op het aanrecht. Samen met de flesopener. In stilte loopt ze terug om ze op te halen en de drie een plek te geven. Het bestek bij de etenswaren, de flesopener in de kurk. Als ze de kurk uit de hals heeft getrokken houdt ze de fles even omhoog. Ze kijkt me aan.
Ik knik.
Ze schenkt twee flinke bodems in de glazen. Dan gaat ze zitten op de stoel die ik ooit van haar kreeg.
Ze zegt niets en dat is voor de Lovedoctor ongewoon. Ze glimlacht. Ze glimlacht en ze houdt haar mond dicht en ik merk dat de Lovedoctor die doorgaans eerder weet dan ik hoe het er volgende week met me bij staat, me nu vraagtekens geeft. Ze proeft van de wijn en smeert een toastje.
Ze zit op de stoel die ze me ooit gaf en nu geeft ze me die ogen.
‘Hé,’ zegt ze. ‘Hier zitten we, dat is deel een en ooit gaan we naar deel twee.’
Ik weet het niet precies, maar ik ruik de kruiden en ik hoor iets moois
en ik zwijmel
en mijmer maar een beetje willekeurig mee.

Riekster vond het vroeg en hoort het verkeer(d)

‘En er wordt nog gefeest op de A15 bij kilometerpaaltje zoveel punt zoveel.’
*MmmmGaaap.*
*Mmmmmmm.”
*Gaap.*