Vrijdag

De Chinees loopt zingend over straat.

Zes

Vandaag kreeg ik een kaart. Iemand had hem naar mijn brievenbus gebracht.
Of iets. Een duif, of een postmannetje. Het postmannetje bracht mij een kaart in een envelop, met een gewone postzegel erop. Op de voorkant van de kaart stond een Mens-erger-je-niet spel met een sliert neonlicht eromheen. Op de achterkant stonden met pen drie woorden geschreven: ‘Hij is weg.’
Hij is weg?

Hoewel mijn voor- en achternaam correct gespeld op de envelop waren geschreven en het adres klopte, had ik niet het idee dat deze boodschap voor mij was bestemd. Ik was de afgelopen tijd maar een ding kwijtgeraakt en dat was een ring die ik ooit kocht met een lief ex. Ik besteedde er nooit veel aandacht aan, die ring, hij zat gewoon nog steeds om mijn duim en het was geen dure. Maar toen ik hem vorige week verloor, bleek het ding me dierbaarder dan ik dacht. Maar dat zat ‘m misschien ook in de gewoonte.
In ieder geval, dierbaar en verloren of niet, het leek me niet logisch dat iemand daar een kaart over stuurde. Ik had de zoekgeraakte ring overigens ook niet bij echt veel mensen afgemeld.
Maar hier lag die kaart dus nu. Op tafel. Met mijn naam op de envelop en een boodschap die uit drie woorden bestond. Hij is weg. En ik geloof toch niet dat ik wat kwijt was.

Toen ik al een kwartier naar de post keek, vroeg ik me af of ik Wenz van dit onbeduidend groots gebeuren op de hoogte moest stellen. Maar dat zou de boel wel heel belangrijk maken, dus ik besloot van ‘nee’. Om toch wat voor de hand liggende dingen uit te sluiten, sloeg ik met een klap mijn laptop open. Hotmail, Gmail, Riekster-accounts bestonden nog, ik werkte nog op mijn Werk, mijn hoofd lachte nog op Facebook en deze weblog stond keurig op haar plek. Ik ben zelf in elk geval dus nog niet weg, het bewijs staat op internet. Dat mijn hart ook nog op z’n eigen plek zit zou ik ook nog wel durven zeggen.

Hm. Tsja.

In mijn huis ontbreekt niks. En ik geloof ook niet dat er iets aan mijn geweten knaagt.
Ik weet niet wat het is. Maar ik geloof niet dat ik het mis.
Hem.
Maar hij is weg, zo wordt gezegd.

Zout

Ze stapte met haar leger van tien
aan elke voet en elke hand,
over de kaart naar
landen die wel bestonden, maar helemaal niet naast elkaar lagen.

Links was het winter en zag ze ijsbloemen op de ramen en rechts
was er warme zonneschijn.
Links een verre vriend
en rechts die buur die altijd klaarstond
maar waar je verder toch vrij
weinig aan had.
Een grote stap was nodig maar de wereld was te klein.

Haar hoofd lag er tussenin,
ze gaf kopjes aan vrije ruimte waarin zij wankelde
tussen vallen en opstaan
om te proberen wat niet ging
en waar ze dwalingen haar betekenis gaf.

Het zinloze kwam haar vrij zinloos voor
en het nuttige was onbereikbaar.
Verstandige beslissingen zaten in haar
hart
waar ze geen meter mee vooruit kwam.
Het kon gretiger en ook mooier
dan dat het was en ze vroeg zich af
hoe dan.
Ja, toen.
Maar dat was een kwestie van
zout op de verkeerde plekken strooien.

Riekster weet hoe het moet

1. Saus in de schaal, lasagnebladen erop, nog een keer saus, nog eens bladen, saus, bladen, bechamelsaus.
2. Oven uit de kast en op het aanrecht.
3. Deurtje open, ovenblad eruit, stekker erin, 200 graden.
4. Opwarmen.
5. Wachten.
6. Na vijf minuten op horloge kijken, het is half zeven, oven is warm.
8. Dertig minuten tellen.
9. Luisteren naar Caro Emerald, in een boekje bladeren, wachten tot zeven uur.
10. Zeven uur.
11. Ping!
12. Tijd.
13. Lopen naar de keuken, ovenwanten pakken,
14. deurtje open,
15. kijken in de oven.

‘Hnk?’ denken.

Kijken naar het aanrechtblad.
Ovenwanten uit.
Nu dan ovenschaal met saus pakken, en nu dan in de oven zetten.
Wekker zetten.
Wachten tot half acht.

Sneeuw (2)

Boink!
(Boink baf boink)

Sneeuw

Het weer scheurt naar beneden, maar zij is niet zo-iemand die dan om de haverklap met haar voet de gladde grond aantikt. Zij heeft zojuist haar kin tussen haar jas geritst en ploetert nu gewoon op haar fiets tegen het verkeer in.
Haar tas zit vol met boodschappen, maar haar fiets wiebelt niet en vanachter haar wimpers kan ze zien wat er om haar heen gebeurt. Ze ziet issues op de weg. Maar er zit niet iets tussen wat haar echt interesseert.
Want zij heeft rode appelwangen op haar gezicht. En ze zeult kilo’s rode wijn, pasta en goede zin met zich mee. Haar adem fietst voor haar uit – in de wind. Haar handschoenen zijn wit, met zwarte streepjes.
En als ze straks thuiskomt,
wacht er sterrenmuntthee.