Iedereen gaf een feestje.
Iedereen gaf een feestje en daar waren die mensen. Schaterend, grinnikend, gillend en glunderend. Sommigen zuchtend en steunend omdat het leven ze nu niet precies het gehoopte gaf. Zij klaagden dan even en dan gingen ze zuchtend en steunend vooruit. En misschien namen ze dan toch maar even één sigaretje buiten. En nog even dat glaasje wijn. En dan zag je ze al snel ook schateren en gillen. En dan vroeg er iemand ‘wil jij nog een glaasje port?’ en dan ging de een op tijd, en de ander ietsje later naar huis.
Daar was het feestje en daar waren die mensen. Wat zijn ze toch fijn.
Ondanks, toch, alles en altijd
Hard glas
Bij Hans Anders hebben ze de afgelopen zes weken drie keer opnieuw mijn ogen opgemeten en ik zie nog steeds geen flikker. Toen ik daar vandaag bij probleemafspraak nummer vier mijn beklag over ging doen, durfde de contactlensspecialist (tsss) te opperen dat het misschien wel psychisch was. Dat moest ik opvatten als: dat ik in de auto niet kan lezen of ik 50 of 80 mag en dat ik allemaal verschuivende letters op het beeldscherm zie, komt doordat ik teveel aan mijn lenzen denk. Ik vroeg hem vervolgens of hij als kind misschien een keer uit de wieg gekukeld was.
Daarop mat de onbenul contactlensspecialist (tsss) vervolgens nog maar eens mijn ogen op.
‘Kunt u de onderste rij lezen?’
‘Uh… zijn er drie of vier rijen?’
‘Vier.’
‘Ik zie er maar drie.’
‘Oh, ik hang even de spiegel recht.’
‘Oké.’
‘Nu?’
‘Ja. Uh, als ik goed mijn best doe dan lees ik C E A T N O.’
‘Oké.’ Hij draait wat aan het apparaat. ‘En nu?’
Ja beste mensen, toen had ik natuurlijk het rijtje onthouden. ‘Ja dat is dus C E A T N O maar dat is niet omdat ik het kan lezen hoor.’
‘Oké. Onthoud dan maar dat de N een H is.’
‘Oh. oké.’ Ik vind hem een sukkel. Letters voorzeggen.
Hij draait wat aan het apparaat. Ik noem wat letters, ik moet zeggen of het cijfer acht zwarter is in het rode vlak, of in het groene vlak en dan zijn we klaar.
‘Je ogen zijn beter geworden dan de lenzen die je oorspronkelijk had, voordat alle problemen kwamen.’
‘Dat kan niet. Ik kwam hier juist omdat ik niets meer kon zien.’
‘Niets?’ Hij lacht een beetje.
‘Geen flikker ja. En nu zegt u bij probleemafspraak nummer vier dat mijn ogen beter zijn geworden.’
‘Ja, ik kan er niet meer dan dat van maken.’
‘Maar waarom kreeg ik dan de afgelopen keren lenzen met cilinders en min vijf?’
‘Tsja. Dat staat hier inderdaad in de computer. Dat weet ik niet.’
‘Heb ik soms een bril voor dichtbij nodig?’
‘Hoe oud ben je?’
‘Ne-gen-en-twin-tig.’
‘Dat lijkt me wat jong.’
Ik zucht.
We discussiëren nog wat en dan pakt de onbenul contactlensspecialist (tsss) twee lenzen die zwakker zijn dan de lenzen die ik had. ‘Wil je deze proberen?’
‘Met het risico dat ik over drie dagen hier weer voor de deur sta? Want dat kan ik wel doen, maar dat willen jullie natuurlijk ook niet.’
‘Ik denk dat dit goed komt nu.’
‘Maar meneer u wilt mij hier niet chagrijnig aan uw balie hoor.’
‘Hahaha.’
‘Beste man, ik kan geen verkeersbord meer lezen.’
‘Ik denk dat dit goed komt. Echt. Besteed er maar geen aandacht aan.’
Buiten regent het.
Met mijn nieuwe lenzen in mijn ogen en mijn bril in mijn hand loop ik naar Lux voor koffie verkeerd. Langzaam en wazig glijden de druppels over de ramen.
Het zijn trieste dagen.
Jong
Ik zit aan de telefoon en ben in een fikse discussie beland. Althans, mijn tijd om te praten heb ik blijkbaar al ruim een half uur geleden opgebruikt, dus terwijl ik hoofdschuddend naar het geratel uit de telefoon luister, hou ik de radio een beetje in de gaten. Ik hoor niet veel bijzonders en mijn gedachten dwalen af naar gesprekken met de Lovedoctor die ik afgelopen weekend had. De Lovedoctor en ik, de Lovedoctor die zei dat ik altijd bereid was om op mijn bek te gaan, voor de liefde. ‘Ja, toen was ik achttien’, zei ik ‘en toen luisterde ik nog naar Regina Spektor’, mopperde ik. Maar de Lovedoctor weet dat dat niet zo is, en heeft me weer aan het denken gezet, dit weekend. ‘Je weet zelf wel of je het zeker weet, Riekster.’
Terwijl ik afdwaal, wordt er aan de andere kant van de lijn nog steeds gepraat, geroepen en gestampvoet. Er worden punten gemaakt en meningen benadrukt over dingen waar ik het niet mee eens ben. Ik blijf me gewoon een keer hardnekkig opstellen als een man en besluit het dit keer echt te laten voor wat het is. Mond houden, wachten tot het over is en hopen dat dat een beetje rap gaat want ik heb nog meer te doen.
Dan komt Brandon Flowers voorbij. Hij zingt en ik word er rustig van. Niet van de woorden of het filmpje dat ik erbij verzin. Ik moet zelfs eerlijk zeggen dat ik zo snel niet eens zou weten waar het over gaat. Nee, toon. Het is de toon. Ik vind de toon mooi.
De telefoon ratelt door de toon. Ik luister naar het liedje en ik denk aan de Lovedoctor. De Lovedoctor en de wijze raad.
Elke honderd meter blozen straks
‘Dan moet je maar elke honderd meter blozen straks, als het zomer en mislukt is.’ Ze neemt een slokje van haar rode wijn. ‘Voor de nabestaanden hoef je het in elk geval niet te laten.’
Ik zit stil op de zachte bank in het café. Ik kijk haar aan en hou mijn mond. Ik kijk en ik weeg af of wat ze zegt waar is. Dat ik het voor de nabestaanden niet hoef te laten. Voor de nabestaanden en voor het nu.
‘Wat kan jou het schelen. Over driehonderd jaar is iedereen jou vergeten. Jou en alle andere mensen ook.’
Ik houd me stil. Ze geeft me een aai over mijn arm.
‘Ja Riekster, zo gaan die dingen. Risico’s. Blunders en flaters.’
Met mijn grote blauwe ogen kijk ik naar haar bemoedigende lach. Ze grinnikt om mij. Dan loopt ze naar de bar om nog een wijn te bestellen. Wijn en bier van de barvrouw die ons net spontaan een rondje gratis gaf.
Ome Harrie
Heilige Anthonius mijn goede vrind, geef dat ik mijn sleutels vind. Dat was ‘m. Dat moest ik van mijn moeder vroeger roepen als ik iets kwijt was en echt o-ve-ral had gezocht. Ja ik moest me echt helemaal het leplazerus hebben gezocht, en als ik dan mijn sleutels, sokken, boek of tennisracket nóg niet had gevonden, nou dán moest ik van mijn moeder Heilige Anthonius Mijn Goede Vrind maar aanroepen. Ik moest dan rondlopen en dat zinnetje blijven herhalen en dan zou Heilige A. wel regelen dat ik het voorwerp weer zou vinden. Ik was op mijn twaalfde vaak iets kwijt, dus liep ik destijds regelmatig door het huis en de schuur en mijn slaapkamer.
Ik kan me alleen niet herinneren dat ik ooit wat terugvond -ook niet als ik harder riep of zelfs schreeuwde- en met het verstrijken van de tijd en bij gebrek aan resultaat was ik op een gegeven moment Heilige A. dan ook vergeten.
Totdat een vriendin E. iets kwijt was. Ik kan wel zeggen; jáááren later.
Vriendin E. was vaak dingen kwijt. En als ze even had gezocht en dan ook echt o-ve-ral had gezocht en écht nergens haar iPod-oplader kon vinden, dan riep ze uiteindelijk iemand van gene zijde erbij. Maar niet Heilige Anthonius. Vriendin E. riep Ome Harrie. Want Ome Harrie was ook dood.
Wel, lieve lezer. Ome Harrie zorgde dus wél dat je binnen vijf minuten je kwijtgeraakte sokken, sleutels, joggingbroek, bankrekeningafschrift of iPod-oplader in je handen had. De spullen kwamen nog nét niet door de kamer naar je toevliegen, maar ik wed dat hij op een onbewaakt ogenblik weleens het een en ander in E.’s woonkamer verplaatste. Ja, die dode Ome Harrie was pas echt cool. Stond ik met mijn goede fatsoen die Heilige -geen resultaat- Anthonius aan te roepen, ondertussen liet E.’s Ome Harrie achter mijn rug allerhande voorwerpen boompje verwisselen.
Maar de vriendschap met E. eindigde en daarmee vergat ik ook Ome Harrie. Want Ome Harrie was van E. Zo gaat dat.
Tot afgelopen vrijdag.
Mijn collega was iets kwijt en liep al de hele dag stampvoetend op de meest rare plekken naar kwijtgeraakte enveloppen met inhoud te zoeken. Die dingen waren belangrijk, en weg. Nu is ons kantoor niet piepklein maar ook weer niet zo groot dat je een hele dag nodig hebt om alle hoeken uit te kammen, dus toen de dag voorbij was en Collega nog steeds aan het zoeken was, leek het me gepast om mee te gaan denken. Nadat het meedenken niets had opgeleverd zat er niets anders op dan Heilige A.
Ik vertelde over Heilige Anthonius Mijn Goede Vrind, en onder het mom van ‘baat het niet dan schaadt het niet’, mompelde ik iets over enveloppen met inhoud.
Daarna vertelde ik ook over die vriendin die dan altijd Ome Harrie aanriep. En, vertelde ik tegen mijn collega, ‘bij die vriendin wérkte dat als een tiet!’. Misschien konden wij Ome Harrie wel even lenen. Ik riep Ome Harrie aan en zei iets over enveloppen en mijn collega, en ik ging boodschappen doen en het weekend inluiden.
Lieve lezer. Ik heb nog zoveel te wensen en te vragen. Ik zou wel willen weten of je Ome Harrie ook voor varianten op ‘kwijte dingen’ kunt aanroepen. Kwijte mensen. Of kwijte stukken leven. Of kwijte emoties. Kwijte humor of kwijt verstand, kwijt begrip of kwijte gezondheid of kwijte andere dingen. Of beter nog: ik ben niets kwijt maar ik zou wel graag iets willen hebben. Kan dat ook?
Want nog voordat ik de kans had om het pand te verlaten en de supermarkt te betreden, piepte mijn telefoon al. ‘Bedank Ome Harrie van me. Ik heb ze gevonden.’
Fix
Hij zei ‘kom!’
Zij zei ‘hoe’.
Ze stonden tegenover elkaar terwijl hij zijn arm gestrekt hield –
zijn hand naar haar uitgestoken en zijn ogen op haar gericht.
‘Kom!’ riep hij.
‘Hoe?’ vroeg zij.
Ze keek hem aan.
‘Kom. Kom maar met je ogen dicht.’
(Maar zij wist natuurlijk ook wel dat je met je ogen dicht geen echte stappen kon nemen. Want dan zie je niks. Of toch w…?)