Overbodige ballast

‘En dan had je dat huis met dat rare hek met die punten erop, en als je dan een stukje verder liep was daar links dat hele kleine winkeltje waar ze die gele Bananiablikken verkochten. Met dat spul wat wij vroeger altijd in de yoghurt aten. Met dat vrouwtje met die schort om.
Weet je dat niet meer?’

De zondagborrel is óók een vrijdagborrel

‘Groen!’
‘Appel!’
‘Rood!’
‘Appel!’
‘Goed zo!’

Post

De groene aansteker op het muurtje bij mijn voordeur lag er al een paar dagen. Het was er zo-eentje die bij mijn rode, roze en gele past.
Elke keer dat ik mijn sleutels zocht vroeg ik me af hoe hij daar kwam.
Appeltjesgroen.
Niemand haalde hem weg. Niemand was hem kwijt en behalve ik was er niemand die er oog voor had.
Vandaag zag ik dat er ook een paar peuken op de grond lagen.
Iemand had bij mijn voordeur zitten roken.
En post achtergelaten.
Dat had ook wel binnen gemogen.

Hoeist

‘Best goed.’
Ik voelde me schuldig dat ik dat had gezegd. Alsof ik dan morgen niet meer zeggen kon dat het eigenlijk klote was. Niet dat ik dat liever wilde, maar toch.
‘Ben trots op je.’
‘Tsja.’
In de telefoon bleef het stil.
‘Hoe is het daar?’
‘Verliefd. Nooit gedacht dat onze levens zo ver uit elkaar zouden staan.’
‘Tsja. Maar ik ben wel blij hoor. Voor jou. Echt.’
Niemand zei wat.
We dachten na.
Over elkaar.

La vita es bella

Iedereen was het zat.
Grote woorden werden klein,
ervaringen verhalen,
hoofdzaken van bij-
onderscheiden.
En niemand die zag
dat
ogenschijnlijk,
niets is wat het lijkt.