Hij at aan tafel zonder televisie of muziek. Alleen.
Aan de muur hing een schilderij. Hij kon ernaar blijven kijken.
Met een kwast had iemand er verf op neergestreken.
Het bladderde
iedere dag zijn eigen verhaal
zonder dat hij ooit de betekenis zou begrijpen.
Hij werd steeds kleiner.
Hij was een kluizenaar die in de werkelijkheid verdween.