Hij liep door de stad, onder wolkenkrabbers en over metrolijnen,
tussen asfalt en perrons.
Vertrekkende treinen en mensen die op de klok kijken
en geld verdienen aan tijd en afstand.
Hij droomde,
daar waar de stranden witter
en de bomen groener zijn.
Bakens waar hij best omheen kon.
Linksom of rechtsom.
Rechtdoor of met bochten.
Hij zag dat hij steeds dichterbij kwam.
Groene bomen,
wit zand.
Hij wist alleen niet
welk eiland.