Het was een ontzettend leuke vent, deze klusjesman. Niet een lekker ding, maar echt een aardige kerel. Een enthousiasteling, die alles wel even maken zou. Een jaar of veertig, met van die charmante lijntjes bij zijn ogen, grijzig haar en toch kon hij nog als een jongen door het leven.
Hij hield van grote huizen, zelf was hij ooit een kraker geweest. En nu hij dan zijn eigen huisje had, woonde hij eigenlijk kleiner dan ooit. Maar tevreden was hij wel.
Ik vond hem zo leuk dat ik het mijn irritante huisgenoot stiekem niet gunde dat hij ook haar verwarming maken zou. Maar hem gunde ik het werk weer wel en ik dacht ook niet dat ik aan haar iets zou kunnen doen. En dus probeerde ik dat ook maar niet.
Maar ik lokte hem naar boven en liet hem zonder enig wantrouwen in mijn woonkamer zijn gang gaan, terwijl ik –het meisje– hem achterliet met koffie en naar de kapper ging.
Toen ik aan het eind van de middag terugkwam was hij weg. Geen voetafdrukken op mijn laminaat en -verbazingwekkend genoeg- een briefje aan mij. En hij had mijn naam goed geschreven.
Het warme water deed het, de wc was gemaakt.
Dat even later datzelfde warme water uit de verwarming tegen het plafond aan spoot en bij de wc nu niet meer een, maar vier bakken water stonden op te vangen, was wel een beetje raar.
Maar net belde hij.
Of we het nog droog hielden en dat hij wist dat het niet af was.
Morgen dan maar.