Brak, moe en emotioneel word ik om 13.00 uur wakker. Vandaag heb ik zin om iemand te slaan.
Ik hijs me in een spijkerbroek die al drie weken niet is gewassen en ben vandaag gezegend met caviahaar.
Ik moet eruit.
Na een verplichte lunch met familie loop ik richting huis. Een mislukte Chris Zegers die er te verzorgd uitziet om alternatief te zijn, maakt een foto terwijl ik op de roltrap sta.
‘Die foto he, die je net maakt, ga je die ergens voor gebruiken?’
‘Hoezo?’
‘Ik houd er niet van ongevraagd gefotografeerd te worden.’
Hij kijkt me aan alsof ik brak, moe en emotioneel ben.
‘Vind je dat normaal?’
De bestuurder voor mij die net geen 50 rijdt.
De kassajuffrouw die de juiste code naar Belinda blèrt.
De linzensoeptrut die te dicht naast me zit in de sauna.
Mijn lelijke huisgenoten die net hebben gepoept als ik wil plassen.
Chris Zegers…..
Om op het stukje wereld te komen dat we willen zien, moeten we eerst zesentachtig uur reizen. Zesentachtig uur, om vervolgens zonder te hebben geslapen in achtenvijftig graden met onszelf en een rugzak tussen de zwervers te staan. Zo voelde het gisterenavond, en dus moest ik even iemand bellen.
En het zou het beste zijn als ik dan de vrouw met de lach -die ook nog in India heeft gewoond- te pakken zou krijgen.
Terwijl ik me nog zit te bedenken wat ik zal zeggen, neemt de vrouw met de lach -die ook nog in India heeft gewoond- al op. ‘Riekster! Bizar, ik zit net aan je te denken.’
‘Oh!’
Ik vind het altijd gek om te horen als mensen zeggen dat ze net aan je zitten te denken. Dan denken er dus ook mensen aan me als ik ze niet bel. Ik vind het zelf erg logisch dat ik aan andere mensen denk, maar dat zij ook aan mij denken, dat gaat er al achtentwintig jaar maar moeilijk in. In mijn hoofd. Maargoed.
‘Hoe is het?’
‘Goed, maar ik ben een beetje zenuwachtig.’
‘Och schat toch!’
‘Vind ik het wel leuk daar?’
‘Jij vindt het zéker leuk daar!’
‘Echt?’
‘Ja, of niet natuurlijk.’
(*shit*)
‘Oh.’
‘Waar vlieg je op?’
‘Mumbai. En ik zie een beetje op tegen al die zwervers enzo.’
‘Nou daar hoef je niet tegenop te zien hoor, want die mogen al jaren de stad niet in dus daar heb je weinig last van. Behalve op vrijdag.’
We landen op vrijdag, maar dat zeg ik niet.
De vrouw met de lach – die ook nog in India heeft gewoond- keuvelt een beetje door over mij, en over zwervers, en over mij en de armoede, en dat het allemaal vast wel goedkomt. En net als ze begint over ‘maar als je dan de binnenlanden in gaat, dan…’ wordt de verbinding verbroken. Shit.
Ik bel haar nog vier keer, maar het wil niet meer lukken.
Ik lach mezelf uit.
Ik heb weer eens een ticket geboekt en ik vraag me af waarom ik dat toch elke keer weer doe. Is het omdat ik weg wil? Of is het omdat ik graag even ergens anders wil zijn? Gaat het om hier, of gaat het om daar? Of praat ik mezelf weer iets ingewikkelds aan?
Met die vraag ijsbeer ik nog zeven keer door de woonkamer, misluk ik nog even in het synchroniseren van mijn iPod en ga dan naar het café. De barvrouw zet een bel wodka-lime voor mijn neus en draait Madonna. Ik bedenk me dat je zwervers en armoede moeilijk kunt wegrelativeren.
Ik, de berg zenuwen in mijn maag, en de vragen in mijn hoofd.
Ik weet niet meer wat ik dacht,
toen ik buiten stond te roken,
ik weet wel dat het mooi was.
Binnen hoorde ik
Moment of Surrender,
en een stem
die daar overheen kwam.
Dan morgen maar brak,
dacht ik,
ik moet dit opschrijven, straks.
Iets over iemand,
en iets over waar ik was.
Een moment,
dacht ik.
Triiiiiing triiiiing, de computer rinkelt. Het is de lovedoctor.
‘Hoooooooi, we zijn met z’n tweeën!’
Op vol scherm verschijnen twee toeten die bijna in de computer zijn gekropen; De Lovedoctor en de leuke man die laatst met zijn groen-oranje jas een ladder kwam lenen en nu de Legoman heet.
‘Hooooooi! Wij ook!’ Roep ik van mijn kant van het scherm.
‘Ow!’
‘Maar ik kan nu niet praten want we zijn een ticket naar Goa aan het boeken en anders valt de pagina eruit.’
‘Goaaa?’ zegt de Legoman. Hij komt nog dichterbij het scherm.
‘Ja. Goa, gaaf he?’
‘Nou, daar hebben we het nog wel over, Riekster.’
‘Hahaha.’ De Lovedoctor gooit haar hoofd in haar nek.
‘Daar hebben we het nog wel over… Riek-ster.’
Nu lacht de lovedoctor nog harder.
‘Is goed hoor, Legoman!’ roep ik tegen de laptop.
‘Hoe is het met de liefde?, hoe is het met de…..?’
‘Daaaaag!’ roep ik snel.
‘Daaaaaag!’
Ze zwaaien, glunderen, en hangen op.
Ik grinnik. In gedachten zie ik ze nu elkaar de hand schudden en knikken dat ze dat goed hebben gedaan.
‘Oh dat dacht ik altijd.’ Hij draait het viltje op de bar.
‘Nou dat is niet zo hoor.’
…
‘Hoe kom je daar nou toch bij?’ Ze wiebelt wat met haar glas.
‘Ja God weet ik het, ik dacht het gewoon.’
‘Nou het is dus niet zo.’
‘Nee.’
Het viltje.
‘Nee.’
Een paar weken geleden raakte ik onverwacht in het bezit van een flesje water uit Lourdes. Hoewel ik niet echt geloof in de helende kracht ervan, weet ik niet goed wat ik ermee moet. Door de gootsteen kieperen voelt als het water een bestemming geven die ergens geen recht aan doet. Waaráán het dan geen recht doet, dat zou ik niet weten. Waaraan het wél recht zou doen, dat weet ik ook niet. Ik heb eraan gedacht om het weg te geven, aan mijn oma voor haar rug, aan mijn moeder voor haar arm, aan iemand met heel veel hoofdpijn. Maar ook dat voelt een beetje vreemd. Waarom zou ik dat helende water niet aan mezelf besteden, bijvoorbeeld tegen stiekem sluimerende hartenpijn? En als het helpt, hoe kan ik dat dan weten?
Hm.
Misschien moet het in de kast.
Of in mijn toilettas.
Over die overslaande cd.
Of ja, over het hoofd van een ex van drie jaar geleden.
(Vandaag dacht ik even dat ik haar zag. Had ik het toen maar bij me gehad, zou toch een stunt zijn geweest.)
‘Tsja, dan wil ik gewoon weer alleen zijn.’
‘Voor altijd?’ De denker kijkt op zijn horloge.
‘Voor even.’
‘En dan?’
‘Dan gaat het weer over.’
‘En vind je het fijn met z’n twee.’
‘En vind ik het fijn met z’n twee.’
‘En dan?’
‘Dan is het weer over.’
Maar er kon nog wel een beetje bij.
Een beetje naar beneden
en een beetje naar boven.
Even kijkt ze gestoord op als ik haar vraag of ik er even bij mag. Dan zet ze een minuscuul stapje opzij en verdwijnt met haar gedachten weer in het boek dat ze in haar handen heeft.
Prima. Ik wurm mij tussen haar en de kast, en ga vervolgens door mijn knieën. Ik zit nu pal voor haar, op mijn hurken en met mijn achterste raak ik haar benen bijna aan. Ze blijft staan waar ze staat.
Hoewel ik al snel weet dat ik op dat onderste schap niets te zoeken heb, blijf ik toch even zitten.
Als ik overeind kom kijk ik met een schuin oog naar haar, maar ze merkt niets. Dit is iemand die de psychologische zelfhulpboeken in de winkel half uitleest ze vervolgens op internet bestelt.
Een kast verderop vind ik wat ik zoek.God is in de war, Hij denkt dat Hij Pieter is. Mooi. Ik loop naar de kassa. Zij blijft staan, met haar neus tussen de bladzijden. Ik heb zin om haar om te duwen, maar ik doe het niet.
Ik hoop dat het helpt.