Het bekende snoepje van de onbekende man dat ik nooit aan mocht nemen, zit nog vers in mijn geheugen.
Ik zou niet weten hoe vaak mijn moeder het me heeft ingeprent, maar zeker is dat er geen twijfel over mocht bestaan dat ik me bewust was van de verwachtingen die ik zou scheppen tegenover een vreemde man. En de toezeggingen die ik zou doen met het aannemen van een lekkernij die nooit voor niets was.
Een zuurtje.
Zo heb ik het altijd voor ogen gehad. Een engerd met een zuurtje en een lange bruine jas. Nooit een vriendelijke North Face -jack meneer met een Chocotof of een Kitkat. Dat soort mannen doet dat niet.
Ook de klusjesman kon geen kwaad. Die deed gewoon wat hij moest doen; belde aan, kwam binnen, repareerde lachend de dingen, en dan ging hij weer. Niets om bang voor te zijn.
Maar die onbekende man op de straat, daar moest je voor oppassen. Zei mijn moeder. Met zijn snoepje, zijn uitgestoken hand, of zijn rare verhaal waarmee hij net de plank missloeg. En zeker in de buurt van het plein, of als hij in een auto zat.
Eigenlijk zat hij overal.
Overal was gevaar.
Toch heb ik als tienjarig kind eens een middag in de kelder van de pastoor doorgebracht. Drie uur blaadjes rapen voor het kerkboekje. De beloning was een Mars, en daarvoor liep ik de hele middag met vier vriendjes rondjes om een met papier beladen tafel.
Toen waren pastoors nog te vertrouwen, en dat vond mijn moeder blijkbaar ook, want ze had er geen enkel probleem mee dat ik me een hele middag in de kelder van de pastoor bevond. Achteraf vreemd, want mijn moeder was nog nooit in de kelder van de pastoor geweest. Dat weet ik zeker. Achteraf vraag ik me ook af of die hulp wel echt zijn hulp was. Ze kon in ieder geval goed cake snijden, en daar deed ik het dan ook voor. En natuurlijk die Mars.
Maar kleine meisjes worden gelukkig ouder, en met mijn moeders wijze advies ben ik mijn jeugd ongeschonden doorgekomen.
Helaas niet zonder wantrouwen.
Tegenwoordig denk ik dat de man bij de kassa er altijd op uit zal zijn om mijn boodschappen te jatten. Elke flirt van mijn partner leidt tot overspel, en iedere kans die een ander krijgt om mij een loer te draaien, zal hij grijpen. Een mens wordt ten alle tijden bedreigd.
Lever je nooit uit aan een vreemde. Ik ben er mee grootgebracht dat dat niet kan.
Ze grijpen je.
Behalve dan de klusjesman.