De jongen-van-de-schaal-van-1-tot-10 gaf me een kaart. Een rode in een rode envelop.
Ik mocht best kijken wat erop stond, zei hij, de uitleg kwam dan later.
Tien.
Mijn buurvrouw had zes, en mijn andere buurvrouw had geen kaart. Hm.
Normaal gesproken gaat die schaal van een tot tien over onszelf.
Dan praten de jongen en ik over hoe het met ons is. Een zeven, een dikke zes of een mager vijfje. Lager dan een 4,6 gaan we niet. Dan maken we de schaal wat relatiever.
Hoger dan een acht ook niet. We weten de dingen immers nooit echt zeker.
En dat komt meestal door de liefde.
Of beter, de niet-liefde.
Ik kon me niet voorstellen dat de kaarten iets met onze schaal te maken hadden. We waren op een bruiloft, dan ga je geen depressies uitdelen.
10
6
3
2
Ik heb de hele avond met het ding in mijn zak rondgelopen, op de ontknoping gewacht.
In de taxi terug had ik hem nog.
Niets.
Thuis was niemand.
Heb ik een keer de 10,
blijkt dat de hele boel gebakken lucht was.